Agnes was al bijna bij het hek, maar ze bleef staan zodra ze Kivrin zag en wilde naar haar toe gaan.
‘Nee!’ riep Kivrin. Ze zwaaide met haar armen. ‘Loop weg!’
‘Is er een wolf binnen?’ vroeg Agnes met grote ogen.
Kivrin nam niet de tijd om het uit te leggen. De houthakkers waren nergens meer te zien. Ze pakte Agnes op en holde naar de paarden. ‘Er was een moordenaar in de kerk!’ Ze zette Agnes op haar pony.
‘Een moordenaar?’ vroeg Agnes, zonder de teugels te pakken die Kivrin haar aanreikte. ‘Was het een van de struikrovers uit het bos?’
‘Ja,’ zei Kivrin. Ze stopte de teugels in Agnes’ hand. ‘Rij zo snel als je kunt naar huis, zonder te stoppen.’
‘Ik heb hem niet gezien,’ zei Agnes.
Dat kon ook haast niet. Vanuit de deuropening gezien was de kerk bijna helemaal in het donker gehuld.
‘Was hij de man die al je bezittingen heeft geroofd en je heeft neergeslagen?’
‘Ja,’ zei Kivrin. Ze maakte de teugels van haar eigen paard los.
‘Had hij zich in het graf verstopt?’
‘Wat?’ vroeg Kivrin. Ze kreeg de knoop in het stijve leer niet los en keek angstig achterom naar de kerkdeur.
‘Ik zag jou en Vader Roche bij het graf staan. Zat de struikrover in de tombe van grootvader?’
16
Vader Roche.
De knoop schoot plotseling los. ‘Vader Roche?’
‘Ik heb in de klokketoren gekeken, maar daar was hij niet. Hij was in de kerk,’ zei Agnes. ‘Waarom had de struikrover zich in grootvaders graf verstopt, vrouwe Kivrin?’
Vader Roche? Dat was niet mogelijk. Vader Roche had haar hand vastgehouden en gezegd dat ze niet bang hoefde te zijn. Ze probeerde zich het gezicht van de priester voor de geest te halen. Hij had zich over haar heen gebogen en gevraagd hoe ze heette, maar door al die rook had ze zijn gezicht niet kunnen zien.
En toen ze het Heilig Oliesel kreeg had ze de moordenaar gezien en ze was bang geweest omdat ze hem binnen hadden gelaten, ze had voor hem willen vluchten. Maar het was helemaal geen moordenaar, het was Vader Roche.
‘Komt hij nu achter ons aan?’ zei Agnes, met een bange blik in de richting van de kerkdeur.
Nu begreep ze het. Ze had gedacht dat ze het allemaal in haar koorts had verzonnen, de moordenaar die over haar heen boog en haar op het paard zette, maar het was Vader Roche geweest, die Gawyn was komen helpen om haar naar het riddergoed te brengen.
‘Hij komt niet achter ons aan,’ zei Kivrin. ‘Er is geen struikrover.’
Agnes was niet overtuigd. ‘Waarom gilde je dan zo?’ vroeg ze.
Kivrin zag al voor zich dat Agnes naar haar grootmoeder ging: ‘Vrouwe Katherine was met Vader Roche in de kerk en ze gilde.’ Vrouwe Imeyne zou de priester — en Kivrin zelf — maar al te graag van nieuwe zonden beschuldigen.
‘Omdat het zo donker in de kerk was,’ zei Kivrin. ‘Vader Roche stond ineens achter me en ik schrok.’
‘Maar het was Vader Roche toch?’ zei Agnes, alsof ze zich niet kon voorstellen dat iemand bang voor hem zou zijn.
‘Jij gilt toch ook wel eens als je verstoppertje aan het spelen bent en Rosemund ineens achter een boom vandaan springt?’ zei Kivrin radeloos.
‘Op een keer had Rosemund zich verstopt toen ik mijn hondje zocht en toen sprong ze ineens van de ladder. Ik schrok zo erg dat ik schreeuwde, zo.’ Agnes deed haar mond open en slaakte een bloedstollende kreet. ‘En een andere keer was het helemaal donker in de zaal en toen kwam Gawyn ineens achter de muur vandaan en riep “Fie!”’
‘Ja,’ zei Kivrin, ‘het was ook erg donker in de kerk.’
‘Zei Vader Roche ook ineens “Fie!” toen hij te voorschijn kwam?’
Het scheelde niet veel, dacht Kivrin. Hij was vlakbij en ik dacht dat hij een moordenaar was. ‘Nee,’ zei ze. ‘Hij deed helemaal niets.’
‘Gaan we nu nog hulst halen met Vader Roche?’
Als ik hem niet heb weggejaagd, dacht Kivrin. Als hij niet is vertrokken terwijl wij hier stonden te praten.
Ze tilde Agnes van het paard. ‘Kom, we moeten hem gaan zoeken.’
Ze wist niet wat ze zou doen als de priester weg was. Ze kon moeilijk met Agnes teruggaan en tegen vrouwe Imeyne zeggen dat ze gegild had. En ze was Vader Roche ook een verklaring schuldig. Maar wat kon ze tegen hem zeggen? Dat ze dacht dat hij een struikrover of een verkrachter was? Dat hij maar een hallucinatie uit haar koortsdroom was?
‘Moeten we weer naar binnen?’ vroeg Agnes bevreesd.
‘Dat geeft niets. Alleen Vader Roche is er maar.’
Ondanks die geruststellende woorden ging Agnes met tegenzin mee. Ze drukte haar gezicht tegen Kivrins rokken toen de deur openging en klemde zich vast aan haar been.
‘Rustig maar,’ zei Kivrin. Ze tuurde naar binnen. Er was niemand meer bij het graf. De deur viel achter haar dicht en ze bleef staan om haar ogen aan het donker te laten wennen, met Agnes nog steeds tegen haar aan. ‘Je hoeft nergens bang voor te zijn.’
Hij is geen moordenaar, dacht ze. Je hoeft niet bang te zijn. Hij gaf je de laatste sacramenten en hij hield je hand vast. Maar haar hart bonsde.
‘Is de struikrover er?’ fluisterde Agnes, zonder haar gezichtje op te tillen.
‘Er is hier geen struikrover,’ zei Kivrin en ineens zag ze hem. Hij stond voor het beeld van Sinte Katherina. Hij bukte om de kaars neer te zetten die Kivrin had laten vallen en ging weer rechtop staan.
Ze had gedacht dat ze zich in het donker had vergist en dat hij alleen maar op de moordenaar leek omdat het licht van de kaars van onderen op zijn gezicht had geschenen, maar het was dezelfde man. Die avond had hij een kap over zijn hoofd gedragen, daarom had ze zijn tonsuur niet kunnen zien. Zoals hij nu bij het beeld gebogen stond, zo had hij zich toen over haar heen gebogen. Haar hart begon nog luider te bonzen.
Agnes tilde haar hoofd op. ‘Daar is Vader Roche!’ zei ze en holde naar hem toe.
‘Nee,’ zei Kivrin, ‘niet doen!’
‘Vader Roche!’ riep Agnes. ‘Vader Roche! We hebben u overal gezocht!’ Ze dacht blijkbaar helemaal niet meer aan de struikrover. ‘We hebben in de kerk en bij u thuis gekeken, maar daar was u niet!’
Ze rende op volle snelheid op hem af. In één vloeiende beweging draaide hij zich om en bukte om haar in zijn armen op te vangen.
‘Ik kon u ook niet in de klokketoren vinden,’ zei Agnes, zonder een spoortje angst te vertonen. ‘Rosemund zei dat u weg was.’
Kivrin bleef bij de laatste pilaar staan tot haar hart was bedaard.
‘Had u zich verstopt?’ vroeg Agnes. Ze sloeg in het volste vertrouwen een arm om zijn nek. ‘Rosemund had zich een keer in de schuur verstopt om me te laten schrikken. Ik moest gillen.’
‘Waarom zocht je me, Agnes?’ vroeg hij. ‘Is er iemand ziek?’
Hij sprak haar naam uit als Agnus en had bijna hetzelfde accent als de jongen met de scheurbuik. Het duurde even voordat de tolk zijn woorden vertaalde en Kivrin vroeg zich af waarom ze hem niet zelf verstond. Toen ze ziek was, had ze hem heel goed begrepen.
Dan heeft hij zeker Latijn gesproken, dacht ze, want de stem was onmiskenbaar dezelfde. De stem waarmee hij haar de laatste sacramenten toe had gediend en gezegd dat ze niet bang hoefde te zijn. En ze was ook niet bang. Het bonzen van haar hart had opgehouden zodra ze zijn stem hoorde.
‘Nee, er is niemand ziek,’ zei Agnes. ‘We wilden met u naar het bos om loof en hulst voor de zaal te halen, vrouwe Kivrin, Rosemund, Saraceen en ik.’
Bij het noemen van Kivrins naam draaide Roche zich om en zag haar bij de pilaar staan. Hij zette Agnes neer.
Kivrin hield zich aan de zuil vast. ‘Vergeef mij, Vader,’ zei ze. ‘Het spijt me dat ik gilde en voor u op de vlucht sloeg. Het was zo donker en ik herkende u niet…’