Выбрать главу

‘Zij weet niets meer,’ zei Agnes. ‘Een struikrover heeft haar op haar hoofd geslagen en nu weet ze alleen haar naam nog maar.’

‘Dat heb ik gehoord,’ zei hij, nog steeds naar Kivrin kijkend. ‘Is het waar dat u zich niet kunt herinneren waarom u onder ons bent gekomen?’

Ze voelde weer zo’n sterke aandrang om hem de waarheid te vertellen, net als toen hij naar haar naam had gevraagd. Ik ben historica, wilde ze zeggen. Ik ben gekomen om te zien hoe jullie leven, maar ik ben ziek geworden en nu weet ik niet waar het rendez-vous is.

‘Ze weet helemaal niet meer wie ze is,’ zei Agnes. ‘Ze wist niet eens hoe ze moest praten, dat heb ik haar geleerd.’

‘U weet niet wie u bent?’ vroeg hij.

‘Nee.’

‘En ook niet hoe u hier bent gekomen?’

Daar kon ze tenminste naar waarheid op antwoorden. ‘Nee, alleen dat u en Gawyn mij naar het huis hebben gebracht.’

Het gesprek begon Agnes te vervelen. ‘Mogen we met u mee om hulst te halen?’

Hij scheen haar niet te horen. Hij stak een hand uit alsof hij Kivrin wilde zegenen, maar in plaats daarvan betastte hij haar slaap. Ze begreep dat hij dat de eerste keer bij het graf ook had willen doen. ‘Uw wond is verdwenen,’ zei hij.

‘Hij is genezen.’

‘We willen naar het bos,’ zei Agnes, die hem aan zijn arm trok.

Weer stak hij zijn hand uit, maar hij liet hem weer zakken en zei: ‘Vrees niet. God heeft u tot ons gezonden.’

Nee, dat is het niet, dacht Kivrin. Hij heeft me helemaal niet gezonden, dat heeft Middeleeuwen gedaan. Maar ze voelde zich gesterkt. ‘Dank u,’ zei ze.

‘Ik wil weg!’ zei Agnes. Ze trok Kivrin aan haar mouw. ‘Ga uw ezel halen,’ zei ze tegen Vader Roche, ‘dan zoeken wij Rosemund.’

Agnes liep in de richting van de deur en Kivrin moest haar wel volgen. De deur zwaaide open voordat ze er waren en Rosemund keek naar binnen, knipperend met haar ogen.

‘Het regent. Hebben jullie Vader Roche gevonden?’

‘Heb je Blackie in de stal gedaan?’ vroeg Agnes.

‘Ja. Vader Roche was zeker al weg?’

‘Nee, hij is hier en we gaan met hem mee. Hij was in de kerk en vrouwe Kivrin…’

‘Hij is zijn ezel gaan halen,’ zei Kivrin, om te verhinderen dat Agnes zou vertellen wat er was gebeurd.

‘Je liet me schrikken toen je van de ladder sprong, Rosemund,’ zei Agnes, maar haar zus was al teruggegaan naar haar paard.

Het regende niet, maar het was nevelig geworden. Kivrin tilde Agnes in het zadel en stapte zelf op het hek om op haar vos te klimmen. Vader Roche kwam met de ezel en ze volgden het pad dat langs de kerk, een groepje bomen daarachter en een klein besneeuwd weiland naar het bos leidde.

‘Er zijn wolven in het bos,’ zei Agnes. ‘Gawyn heeft er een doodgemaakt.’

Kivrin hoorde nauwelijks wat ze zei. Ze keek naar Vader Roche, die naast zijn ezel liep, en probeerde zich te herinneren wat er die eerste avond was gebeurd. Gawyn was hem op de weg tegengekomen en samen hadden ze haar naar het huis gebracht, maar was dat eigenlijk wel zo?

Hij had zich over haar gebogen toen ze met haar rug tegen het karrewiel zat. Ze kon zijn gezicht zien in het flikkerende licht van het vuur. Hij had iets tegen haar gezegd wat ze niet kon verstaan en zij had naar meneer Dunworthy gevraagd.

‘Rosemund rijdt helemaal niet als een meisje,’ zei Agnes preuts.

Rosemund was een eind vooruit gereden en bleef bij een bocht in de weg ongeduldig staan wachten.

‘Rosemund!’ riep Kivrin. Het meisje galoppeerde terug, waarbij ze pas op het laatste moment aan de teugels trok en bijna in botsing kwam met de ezel.

‘Kunnen we niet een beetje opschieten?’ Ze keerde haar paard en reed weer vooruit. ‘We zijn nooit klaar voordat het gaat regenen.’

Het bos werd een stuk dichter en de weg was niet breder meer dan een ruiterpad. Kivrin keek om zich heen om te zien of ze zich iets kon herinneren. Ze passeerden een groepje wilgen, maar die stonden te ver van het pad en er liep een deels bevroren beekje langs.

Aan de andere kant van het pad stond een reusachtige plataan aan de rand van een kleine open plek, bedekt met hulst. Daarachter stond een rij lijsterbessen, met zulke regelmatige tussenruimten dat ze wel aangeplant leken. Het kwam haar helemaal niet bekend voor.

Ze waren over dit pad gekomen en ze had gehoopt dat ze iets zou herkennen, maar dat was niet het geval. Het was te donker geweest en zij te ziek.

Alleen de open plek wist ze nog, al was die in haar geheugen net zo vaag en onwerkelijk als de tocht naar het riddergoed. Een open plek met een eik en een groepje wilgen. En Vader Roche die zich over haar boog toen ze tegen het karrewiel zat.

Misschien had hij haar samen met Gawyn gevonden, of anders had Gawyn hem meegenomen naar de open plek. In het licht van het vuur had ze zijn gezicht duidelijk gezien. En later was ze bij een tweesprong van het paard gevallen.

Ze waren nog niet bij een tweesprong gekomen. Ze had nog helemaal geen andere paden gezien, hoewel er paden moesten zijn die de verschillende dorpen met elkaar verbonden, paden die naar de akkers leidden en naar het huisje van de zieke boer bij wie Eliwys op bezoek was geweest.

Vader Roche kwam als eerste op de top van een lage heuvel en keek over zijn schouder om te zien of de anderen volgden. Hij weet waar de open plek is, dacht Kivrin. Gawyn hoefde hem niet te vertellen waar die was of langs welk pad hij lag, Vader Roche wist het zelf al. Hij was er geweest.

Agnes en Kivrin kwamen boven. Rondom en in de laagte waren alleen maar bomen te zien. Dit moest Wychwood Forest zijn, een woud van wel honderd vierkante kilometer waarin het rendez-vous kon liggen. Ze zou het in haar eentje nooit terug kunnen vinden. Ze kon nauwelijks tien meter ver het bos in kijken.

Aan de andere kant van de heuvel was het woud nog dichter. Hier konden geen andere paden zijn. Er was nauwelijks ruimte om te lopen en het gaan werd bemoeilijkt door gebroken takken, verwarde struiken en sneeuw.

Het was niet waar dat ze helemaal niets herkende. Dit was het bos waarin Sneeuwwitje was verdwaald, net als Hans en Grietje en een heleboel prinsen. Er waren wolven en beren en misschien zelfs heksenhutjes. Al die sprookjes waren toch niet voor niets in de middeleeuwen ontstaan? Geen wonder, in zo’n bos moest je wel verdwalen.

Roche bleef met zijn ezel staan wachten tot Rosemund was teruggekomen en Agnes en Kivrin hem hadden ingehaald. Kivrin vroeg zich af of hij misschien de weg kwijt was, maar zodra ze bij hem waren, liep hij een eindje het bos in en kwam op een tweede pad, dat Kivrin helemaal niet gezien had.

Rosemund kon Vader Roche en zijn ezel niet meer passeren. Ze liep hen zowat op de hielen en Kivrin vroeg zich opnieuw af wat het meisje dwarszat. Vrouwe Imeyne had gezegd dat heer Bloet veel machtige vrienden had. Ze had hem een bondgenoot genoemd, maar Kivrin wist niet of dat echt zo was. Misschien had Rosemund iets van haar vader gehoord waardoor ze zo opzag tegen de komst van heer Bloet naar Ashencote.

Ze volgden het tweede pad een eindje, voorbij een paar wilgen die Kivrin zich meende te herinneren. Vader Roche verliet het pad, worstelde zich langs een paar sparren en bleef staan bij een hulstboom.

Kivrin had struiken verwacht zoals op de binnenplaats van Brasenose, maar dit was een echte boom. Hij stak met zijn takken boven de sparren uit en de rode bessen gloeiden tussen de glanzende bladeren.

Vader Roche haalde de zakken van de rug van de ezel, zo goed mogelijk geholpen door Agnes. Rosemund haalde een kort en dik mes van haar ceintuur en begon een paar lage takken met scherpgepunte bladeren af te snijden.

Kivrin waadde door de sneeuw naar de andere kant van de boom. Een eind verder zag ze iets wits schemeren, misschien de basten van de berken die ze had gezien, maar het was slechts een laaghangende besneeuwde tak.