Agnes kwam naar haar toe, gevolgd door Roche, die een vervaarlijk uitziende dolk bij zich had. Kivrin merkte tot haar schrik dat hij er toch nog als een moordenaar uitzag zoals hij boven Agnes uittorende, ook nu ze wist dat hij een priester was.
Hij gaf Agnes een van de ruwe zakken. ‘Je moet hem zo openhouden,’ zei hij, terwijl hij de rand van de opening terugsloeg, ‘dan doe ik de takken erin.’ Hij begon takken af te snijden zonder acht te slaan op de scherpe bladeren. Kivrin pakte ze aan en stopte ze in de zak, waarbij ze ervoor zorgde de stijve bladeren niet te breken.
‘Vader Roche, ik moet u nog bedanken voor uw hulp toen ik ziek was en toen ik…’
‘Toen u gevallen was,’ zei hij, zwoegend op een weerbarstige tak.
Ze had willen zeggen ‘Toen ik door rovers was overvallen’, maar zijn reactie verbaasde haar. Misschien was hij net langsgekomen toen ze van het paard was gevallen. Maar dat was al een heel eind uit de buurt van de open plek en dan zou hij niet weten waar die was. En ze herinnerde zich heel duidelijk dat hij bij de kar geweest was.
Het had geen zin eromheen te draaien. ‘Weet u waar Gawyn mij heeft gevonden?’ vroeg ze, en ze hield haar adem in.
‘Jawel.’ Hij ging een dikke tak te lijf.
Opluchting overmande haar. Hij wist waar de open plek was. ‘Is het ver hiervandaan?’
‘Nee,’ zei Roche. Hij rukte de tak van de boom.
‘Wilt u me erheen brengen?’
‘Waarom wil je daarheen?’ vroeg Agnes, die haar armen spreidde om de zak open te houden. ‘Misschien zijn de struikrovers daar nog.’
Roche keek haar aan alsof hij hetzelfde idee had.
‘Als ik de plek terugzie, weet ik misschien weer wie ik ben en waar ik vandaan kom,’ zei ze.
Hij stak haar het gebroken uiteinde van de tak toe, zodat ze zich niet aan de bladeren kon prikken. ‘Dat kan ik wel doen,’ zei hij.
‘Dank u,’ zei Kivrin. Duizendmaal dank. Ze deed de tak in de zak, waarna Roche hem dichtbond en over zijn schouder hees.
Rosemund kwam aanlopen en sleepte haar eigen zak door de sneeuw achter zich aan. ‘Zijn jullie nog niet klaar?’
Roche nam de zak van haar over en en bond hem op de rug van de ezel. Kivrin hielp Agnes en Rosemund met opstijgen, waarna Vader Roche haar met zijn grote handen een zetje gaf om op haar eigen paard te klimmen.
Hij had haar ook geholpen toen ze van het witte paard was gevallen. Ze herinnerde zich zijn grote handen die haar hadden vastgehouden. Maar dat was al een eind bij de open plek vandaan, waarom zou Gawyn hem helemaal mee terug hebben genomen? Ze kon zich niet herinneren dat ze terug waren gegaan, maar het was ook allemaal zo vaag en verward. Misschien had het in haar delirium verder geleken dan het in werkelijkheid was.
Roche nam de ezel mee terug naar het pad. Rosemund liet hem voorop gaan en zei, op dezelfde toon als Imeyne: ‘Waar gaat hij nou weer heen? Daar vinden we geen eiloof.’
‘We gaan naar de plek waar vrouwe Katherine is overvallen,’ zei Agnes.
Rosemund keek Kivrin achterdochtig aan. ‘Waarom wil je daarheen?’ vroeg ze. ‘Alles is al naar huis gebracht.’
‘Ze denkt dat ze haar geheugen terugkrijgt als ze de plaats terugziet,’ zei Agnes. ‘Vrouwe Kivrin, als je weer weet wie je bent, moet je dan terug naar huis?’
‘Certes,’ zei Rosemund. ‘Ze moet terug naar haar familie. Ze kan niet eeuwig bij ons blijven.’ Het was duidelijk dat ze Agnes op stang wilde jagen en daar slaagde ze ook in.
‘Wel waar!’ zei Agnes. ‘Zij moet op ons passen.’
‘Waarom zou ze bij zo’n huilbaby willen blijven?’ Rosemund gaf haar paard de sporen.
‘Ik ben geen baby!’ riep Agnes haar na. ‘Dat ben je zelf!’ Ze reed terug naar Kivrin. ‘Ik wil niet dat je weggaat!’
‘Ik ga niet weg,’ zei Kivrin. ‘Kom, Vader Roche wacht op ons.’
Hij stond bij het hoofdpad en ging verder zodra ze hem inhaalden. Rosemund draafde al een eind verder over het pad, zodat de sneeuw alle kanten opvloog.
Ze staken een beekje over en kwamen bij een tweesprong. Het pad waarop ze stonden verdween iets verderop met een bocht uit het gezicht, het andere liep ongeveer honderd meter rechtdoor en maakte daarna een scherpe bocht naar links. Rosemund wachtte bij de tweesprong en liet haar paard trappelen en met zijn hoofd schudden om haar ongeduld te laten merken.
Ik ben bij een tweesprong van het witte paard gevallen, dacht Kivrin, terwijl ze de bomen, het pad en het beekje in haar geheugen probeerde te prenten. De paden in Wychwood Forest liepen kriskras door elkaar en er moesten een heleboel kruisingen zijn, maar blijkbaar was dit de goede tweesprong. Vader Roche volgde het pad dat naar rechts liep en na enkele meters tussen de bomen verdween.
Er waren op dit punt geen wilgen en er was evenmin een heuvel te zien. Dit moest de weg zijn waarlangs Gawyn haar had meegenomen. Ze wist nog dat ze een heel stuk door het bos waren getrokken voordat ze bij de tweesprong kwamen.
Ze volgden hem het bos in, met Rosemund achteraan, en ze moesten bijna meteen afstijgen en hun rijdieren bij de teugels nemen. Kivrin kon geen duidelijk pad onderscheiden. Roche liep gebukt onder een paar takken door, waarbij hij een lading sneeuw in zijn nek kreeg, en omzeilde een groepje stekelige sleedoorns.
Kivrin probeerde de omgeving in zich op te nemen om later de weg te kunnen vinden, maar er waren nergens bijzondere herkenningspunten. Zolang er sneeuw lag kon ze op de sporen van hun voeten en van de paardehoeven afgaan. Ze moest hier terugkomen voordat het ging dooien en de weg markeren met inkepingen in de bomen of met stukjes stof. Of met broodkruimels, net als Hans en Grietje.
Ze kon zich goed voorstellen dat Hans en Grietje — en Sneeuwwitje en al die prinsen — in het bos waren verdwaald. Al na een paar honderd meter wist ze niet meer in welke richting het pad lag, ondanks de afdrukken in de sneeuw. Hans en Grietje hadden maanden kunnen rondzwerven zonder hun huis of het hutje van de heks te vinden.
Vader Roche bleef staan.
‘Wat is er?’ vroeg Kivrin.
Hij bond de ezel vast aan een els. ‘Hier is het.’
Dit kon het rendez-vous niet zijn. Het mocht nauwelijks een open plek heten. Een grote eik hield andere bomen uit de buurt. De takken spreidden zich uit als een tentdak en de bodem eronder was slechts met een dun laagje sneeuw bedekt.
‘Kunnen we geen vuur maken?’ zei Agnes, die naar de restanten van een kampvuur liep. Een halve boomstam was er naartoe gesleept. Agnes ging erop zitten. ‘Ik heb het koud,’ zei ze, en schopte met de punt van haar laars tegen de zwartgeblakerde stenen.
Het vuur kon niet lang gebrand hebben; de takken waren maar half verteerd. Iemand had er aarde overheen gegooid om het te doven. Vader Roche was bij Kivrin neergehurkt en de vlammen hadden zijn gezicht beschenen.
‘Nou?’ zei Rosemund ongeduldig. ‘Heb je je geheugen al terug?’
Het moest hier zijn geweest. Ze herinnerde zich het vuur, waarvan ze dacht dat het de brandstapel was. Maar dat kon het niet zijn. Roche was bij haar geweest. Ze herinnerde zich dat hij zich over haar heen boog toen ze tegen het karrewiel zat geleund.
‘Weet u zeker dat Gawyn mij hier heeft gevonden?’
‘Ja,’ zei hij fronsend.
‘Als de struikrover komt, steek ik hem neer met mijn dolk,’ zei Agnes, die een halve tak uit het vuur trok en ermee zwaaide. Het zwarte uiteinde brak af. Agnes pakte een andere tak, ging met haar rug tegen de boomstam op de grond zitten en sloeg de twee takken tegen elkaar. Verkoolde splinters vlogen alle kanten op.
Kivrin keek naar Agnes. Ze had op dezelfde plaats gezeten toen het vuur werd aangestoken en Gawyn had zich over haar heen gebogen, zijn haar rood gloeiend in het schijnsel, en iets tegen haar gezegd wat ze niet kon verstaan. Daarna had hij het vuur gedoofd door er met zijn laarzen op te stampen en de rook had haar verblind.