‘Weet je het weer?’ zei Agnes. Ze gooide de takken weer op de stenen.
Roche stond nog steeds fronsend naar haar te kijken. ‘Bent u ziek, vrouwe Katherine?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ze met een flauwe glimlach. ‘Het is alleen… Ik had gehoopt dat ik mijn geheugen terug zou krijgen als ik de plek weer zag.’
Hij keek haar een ogenblik vol ontzag aan, net als in de kerk, daarna draaide hij zich om en liep naar zijn ezel. ‘Kom,’ zei hij.
‘Weet je het weer?’ herhaalde Agnes. Ze sloeg haar handen tegen elkaar. Haar wanten zaten onder de houtskool.
‘Agnes!’ zei Rosemund. ‘Je hebt je wanten helemaal vies gemaakt.’ Ze trok haar zusje ruw overeind. ‘En je mag niet met je mantel in de natte sneeuw zitten. Stout kind!’
Kivrin haalde de twee meisjes uit elkaar. ‘Rosemund, maak de pony van Agnes los. We moeten het groen gaan halen.’ Ze veegde de sneeuw van Agnes’ mantel, maar het witte bont zat al onder de vegen.
Vader Roche stond bij de ezel te wachten, nog altijd met die vreemd plechtige uitdrukking op zijn gezicht.
‘We maken je wanten thuis wel schoon,’ zei Kivrin haastig. ‘Kom, we gaan met Vader Roche mee.’
Ze nam haar paard bij de teugel en volgde de meisjes en Vader Roche. De geestelijke ging niet dezelfde weg, maar sloeg al snel een andere richting in die bijna onmiddellijk op een pad uitkwam. Kivrin kon de tweesprong niet zien en ze had geen idee of dit hetzelfde pad was waarover ze waren gekomen. Alles zag er hier hetzelfde uit, de wilgen, de open plekken en de eiken.
Ze begreep nu wat er was gebeurd. Gawyn had haar op zijn paard gezet om haar naar de hofstede te brengen, maar ze was door haar duizeligheid uit het zadel gegleden. Daarom had hij op een andere open plek een vuur gemaakt en haar tegen de boomstam gelegd, waarna hij hulp was gaan halen.
Of misschien had hij willen wachten tot het licht werd en had Vader Roche het vuur gezien en Gawyn geholpen haar naar het huis te brengen. Vader Roche had geen idee waar het rendez-vous was, hij dacht alleen maar dat dit de plek was waar Gawyn haar onder de eik had gevonden.
Ze had zich dus toch maar verbeeld dat de priester bij haar had gezeten toen ze met haar rug tegen het karrewiel zat. Ze had het gedroomd toen ze ziek in bed lag, net als de klokken, de brandstapel en het witte paard.
‘Waar gaat hij toch heen?’ vroeg Rosemund nijdig. Kivrin had de neiging haar een klap te geven. ‘Dichter bij huis kunnen we ook eiloof vinden. Nu begint het te regenen.’
Ze had gelijk. Uit de mist daalde een lichte motregen neer.
‘We hadden allang weer thuis kunnen zijn als dat stomme kind haar hondje niet had meegenomen!’ Ze draafde weer vooruit en Kivrin deed geen moeite haar tegen te houden.
‘Rosemund is een kol,’ zei Agnes.
‘Ja, dat is ze,’ zei Kivrin. ‘Weet jij wat er met haar is?’
‘Het komt door heer Bloet,’ zei Agnes. ‘Ze gaat met hem trouwen.’
‘Wat?’ Imeyne had wel iets over een bruiloft gezegd, maar Kivrin had aangenomen dat het een zoon van heer Guillaume en een dochter van heer Bloet betrof. ‘Dat kan toch niet? Heer Bloet is toch al met vrouwe Yvolde gehuwd?’
‘Nee,’ zei Agnes verbaasd. ‘Vrouwe Yvolde is de zuster van heer Bloet.’
‘Maar Rosemund is nog niet oud genoeg,’ zei Kivrin, maar ze wist dat ze ongelijk had. In de veertiende eeuw werden meisjes soms al bij hun geboorte weggegeven. Het middeleeuwse huwelijk was een zakelijke aangelegenheid geweest, een middel om meer land en aanzien te verwerven. Rosemund was ongetwijfeld van jongs af aan voorbereid op een huwelijk met iemand als heer Bloet. Toch werd Kivrin erdoor overvallen dat het middeleeuwse verhaal over jonge maagden en gebrekkige, tandeloze oude mannen zo plotseling werkelijkheid werd.
‘Vindt Rosemund heer Bloet aardig?’ vroeg Kivrin. Natuurlijk was dat niet zo, Rosemund was hatelijk, slecht gehumeurd en bijna hysterisch sinds ze wist dat hij zou komen.
‘Ik vind hem wel aardig,’ zei Agnes. ‘Hij geeft me een zilveren ketting voor mijn paard als ze gaan trouwen.’
Kivrin keek naar Rosemund, die een eind verderop stond te wachten. Heer Bloet hoefde niet per se oud en gebrekkig te zijn. Dat was maar een idee van haar, net zoals ze had gedacht dat Yvolde zijn vrouw was. Misschien was hij nog jong en had Rosemund alleen last van zenuwen. En ze kon voor die tijd altijd nog bijdraaien. De bruiloft werd meestal pas voltrokken als het meisje veertien of vijftien was, in elk geval nadat ze geslachtsrijp was geworden.
‘Wanneer gaan ze trouwen?’ vroeg Kivrin.
‘Met Pasen,’ zei Agnes.
Ze kwamen weer bij een tweesprong. De twee paden liepen bijna honderd meter vrijwel naast elkaar, waarna een ervan afboog naar een lage heuvel. Rosemund was al op de helling.
Twaalf jaar oud en over drie maanden moeten trouwen. Geen wonder dat Eliwys hun aanwezigheid voor heer Bloet verborgen had willen houden. Misschien was ze het er niet mee eens en was het huwelijk alleen gearrangeerd om Guillaume uit de narigheid te helpen.
Rosemund had de top van de heuvel bereikt en galoppeerde terug naar Vader Roche. ‘Waar brengt u ons heen?’ vroeg ze fel. ‘Daar houdt het bos op.’
‘We zijn er bijna,’ antwoordde Vader Roche rustig.
Rosemund keerde haar merrie en draafde de heuvel over. Ze kwam meteen weer terug, keerde vlak voor Kivrin en Agnes, draaide abrupt om en galoppeerde een eind vooruit. Als een rat in de val, dacht Kivrin.
De motregen ging over in fijne sneeuw. Vader Roche trok de kap over zijn tonsuur en voerde zijn ezel de lage helling op. Het dier volgde gehoorzaam, maar bleef bovenaan stokstijf staan. Vader Roche trok aan de teugels, met als enig gevolg dat de ezel zich schrap zette.
Kivrin en Agnes haalden hem in. ‘Wat is er?’ vroeg Kivrin.
‘Meekomen, Bileam,’ zei Vader Roche. Hij pakte de teugels met zijn twee zware handen, maar de ezel verroerde zich niet. Hij drukte zijn hoeven in de aarde en verplaatste zijn gewicht, waardoor hij bijna door zijn achterpoten zakte.
‘Misschien houdt hij niet van regen,’ zei Agnes.
‘Kunnen wij iets doen?’ vroeg Kivrin.
‘Nee.’ Hij gebaarde dat ze moesten doorlopen. ‘Het zal wel beter gaan als de paarden uit de buurt zijn.’
Hij wikkelde de teugels om zijn hand en ging achter de ezel staan alsof hij het dier wilde duwen. Kivrin en Agnes gingen verder en keken om, bang dat de ezel hem zou schoppen. Ze daalden de heuvel af.
Het bos ging schuil achter de nevelsluiers. De sneeuw op het pad begon al te smelten en aan de voet van de heuvel was een modderpoel ontstaan. Het dichte geboomte aan weerskanten zat nog onder de sneeuw. Rosemund stond al op de volgende heuvel te wachten. De bomen groeiden tot halverwege de helling, daarboven lag sneeuw op de vlakke bodem. Achter die heuvel, dacht Kivrin, ligt een open vlakte en aan de rand daarvan Oxford.
‘Waar ga je heen, Kivrin? Wacht!’ riep Agnes, maar Kivrin was aan de voet van de heuvel al van haar paard gesprongen en schudde de sneeuw van de bomen om te zien of het wilgen waren. Het waren wilgen en iets verder zag ze de kruin van een grote eik. Ze bond haar paard aan een van de rosse wilgetakken en liep het bos in. Sneeuw daalde in wolken neer toen ze de aan elkaar gevroren takken opzij duwde. Vogels vlogen schreeuwend op. Onvermoeibaar wrong ze zich langs takken en struiken naar de open plek die daarachter moest liggen.
Ze herkende de eik en verderop in het bos de berken met hun witte stammen. Dit moest de open plek zijn.
Maar ze wist het nog niet zeker. Was deze ruimte niet groter? Er hadden nog meer bladeren aan de eik gezeten en er waren meer nesten geweest. Aan de rand stond een sleedoorn, met paars-zwarte knoppen tussen de dreigende stekels. Die kon ze zich helemaal niet herinneren.
Het komt door de sneeuw, dacht ze, daardoor lijkt de plek groter. Er lag hier een laag van bijna een halve meter, glad en zonder sporen. Het was of hier nog nooit een mens was geweest.