‘Wil Vader Roche hier groen vandaan halen?’ zei Rosemund, die bij haar kwam staan. Ze zette haar handen in haar heupen en keek om zich heen. ‘Hier is niks te vinden.’
Kivrin dacht dat de voet van de eik begroeid was met loof en paddestoelen. Het komt door de sneeuw, dacht ze, die heeft alles bedekt. Ook de sporen van Gawyn, die de kar en de kisten had weggehaald.
Maar Gawyn had het juwelenkistje niet naar het huis gebracht, want dat had ze in de berm van het pad verstopt.
Ze liep langs Rosemund en worstelde zich tussen de wilgen door zonder zich om de sneeuwlawines te bekommeren. Ook het kistje zou onder de sneeuw liggen, maar die was bij het pad minder diep en het kistje was bijna veertig centimeter hoog.
‘Vrouwe Katherine!’ riep Rosemund, die vlak achter haar kwam. ‘Waar ga je nou weer heen?’
‘Kivrin!’ klonk het bange stemmetje van Agnes. Het meisje had op het pad van haar pony willen klimmen, maar zat met haar voet vast in de stijgbeugel. ‘Vrouwe Kivrin, help me!’
Kivrin keek om naar het meisje en naar de heuvel achter haar.
Vader Roche probeerde nog steeds beweging in de ezel te krijgen. Ze moest het kistje vinden voordat hij naar beneden kwam. ‘Blijf op je pony zitten, Agnes,’ zei ze en begon onder de wilgen in de sneeuw te graven.
‘Wat zoek je?’ vroeg Rosemund. ‘Er is hier toch geen loof!’
‘Vrouwe Kivrin, kom nou!’ zei Agnes.
Misschien had ze zich vergist in de sneeuw en lag het kistje verder onder de wilgen. Ze boog naar voren en hield zich vast aan de broze takken om de sneeuw weg te vegen, maar ze zag al meteen dat het kistje hier niet lag. Door de takken die boven de grond hingen lag er maar een paar centimeter sneeuw op de bodem. Maar als dit de goede plaats is moet het er zijn, dacht Kivrin. Als dit de goede plaats is.
‘Vrouwe Kivrin!’ riep Agnes. Ze keek om. Het meisje was van haar paard geklommen en holde naar haar toe.
‘Pas op!’ riep Kivrin nog, maar Agnes was al over een van de karresporen gestruikeld en viel languit op het pad.
Kivrin en Rosemund waren al bij haar voordat ze kon gaan huilen. Kivrin nam haar in haar armen en duwde tegen haar middel om haar ademhaling weer op gang te brengen.
Agnes zoog gierend de lucht naar binnen en begon te krijsen.
‘Ga Vader Roche halen,’ zei Kivrin tegen Rosemund. ‘Hij is nog op de heuvel, ik hoor zijn ezel balken.’
‘Hij komt er al aan,’ zei Rosemund. Kivrin draaide haar hoofd om. Roche had de ezel achtergelaten en kwam moeizaam de helling af. Kivrin had bijna geroepen dat hij ook moest oppassen, maar Agnes overstemde alles met haar gejammer.
‘Ssst,’ zei Kivrin. ‘Je hebt niets. Je kreeg alleen maar even geen lucht meer.’
Vader Roche kwam bij hen en Agnes stak onmiddellijk haar armen naar hem uit. Hij drukte haar tegen zich aan. ‘Stil maar, Agnus,’ zei hij met die eigenaardig sussende stem. ‘Ssst.’ Het kind begon te snikken.
‘Waar heb je je pijn gedaan?’ vroeg Kivrin. Ze veegde de sneeuw van Agnes’ mantel. ‘Heb je je handen opengehaald?’
Vader Roche draaide het meisje om, zodat Kivrin haar bontwanten kon uittrekken. Haar handen waren vuurrood, maar niet geschaafd. ‘Waar doet het pijn?’
‘Ze heeft niks,’ zei Rosemund. ‘Ze is alleen maar een huilkindje!’
‘Nietes!’ zei Agnes, zo fel dat ze bijna uit Roches armen gleed. ‘Ik heb mijn knie gestoten.’
‘Welke knie?’ vroeg Kivrin. ‘Waar je een korst op had?’
‘Ja! Je mag niet kijken!’ zei Agnes, toen Kivrin een hand uitstak.
‘Goed, ik doe niets,’ zei Kivrin. De oude wond was waarschijnlijk weer opengegaan. Het had geen zin het meisje hier in de sneeuw uit te kleden, tenzij ze te erg ging bloeden. ‘Maar thuis moeten we ernaar kijken.’
‘Kunnen we nu dan naar huis gaan?’ vroeg Agnes.
Kivrin keek gelaten naar de wilgen. Hier moest het toch zijn. De wilgen, de open plek, de heuvel waar geen bomen op groeiden. Hier moest het zijn. Misschien had ze het kistje toch verder van het pad af gelegd en had de sneeuw…
‘Ik wil naar huis!’ zei Agnes, die weer begon te snikken. ‘Ik heb het koud!’
‘Goed.’ Kivrin knikte. De wanten waren kletsnat geworden. Kivrin deed haar geleende handschoenen uit en gaf die aan het meisje. Ze reikten helemaal tot aan haar schouders, wat ze prachtig vond, en Kivrin dacht al dat ze haar knie was vergeten. Maar toen Vader Roche haar op de pony wilde zetten, zei ze: ‘Ik wil liever bij jou op het paard.’
Kivrin knikte weer en steeg op. Vader Roche tilde Agnes voor haar in het zadel en nam de pony bij de teugel. De ezel stond bovenaan te grazen in het gras dat door de sneeuw in de berm drong.
Kivrin keek in de regen achterom naar de wilgen en probeerde de open plek te zien. Daar moet het rendez-vous zijn, dacht ze, maar ze was er niet zeker van. Zelfs de heuvel stemde niet overeen met haar herinnering.
Vader Roche pakte de teugel van de ezel, die zich onmiddellijk weer schrap zette, maar zodra de priester een stap in de andere richting had gedaan, begon het dier hem gewillig te volgen.
De sneeuw was aan het smelten en Rosemunds merrie glipte weg toen ze over het rechte stuk naar de tweesprong galoppeerde. Ze vertraagde haar pas.
Bij de tweede splitsing nam Roche het pad dat naar links afboog. Het werd omzoomd door wilgen en eiken en aan de voet van elke heuvel zag Kivrin karresporen.
‘Gaan we nu naar huis, Kivrin?’ vroeg Agnes rillend.
‘Ja,’ zei Kivrin. Ze sloeg haar mantel om het meisje heen. ‘Doet je knie nog zeer?’
‘Nee. We hebben geen loof gehaald.’ Ze ging rechtop zitten en tilde haar gezichtje op naar Kivrin. ‘Weet je nu weer wie je bent?’
‘Nee,’ zei Kivrin.
‘Gelukkig.’ Agnes leunde weer tegen haar aan. ‘Nu moet je altijd bij ons blijven.’
17
Andrews belde Dunworthy pas in de middag van eerste kerstdag. Colin had natuurlijk met alle geweld op een onchristelijk tijdstip willen opstaan om zijn cadeautjes open te maken.
‘Blijft u de hele dag in bed liggen?’ had hij op boze toon gevraagd terwijl Dunworthy naar zijn bril tastte. ‘Het is bijna acht uur.’
In werkelijkheid was het kwart over zes en nog stikdonker, zelfs te donker om te zien of het nog regende. Colin had heel wat meer slaap gehad dan Dunworthy. Na de oecumenische dienst had Dunworthy hem teruggestuurd naar Balliol en was zelf naar het ziekenhuis gegaan om te zien hoe het met Latimer was.
‘Hij heeft koorts, maar nog geen last van zijn longen,’ had Mary gezegd. ‘Hij kwam om vijf uur binnen en zei dat hij sinds het begin van de middag hoofdpijn had en zich verward voelde. Dat is precies achtenveertig uur, dus we hoeven hem niet te vragen wie hem heeft aangestoken. Hoe voel jij je?’
Ze had meteen bloed bij hem afgenomen en daarna was er een nieuwe patiënt binnengebracht, iemand die hij niet herkende. Pas tegen enen was hij naar bed gegaan.
Colin gaf hem een knalbonbon, liet hem aan het touwtje trekken en de gele papieren kroon opzetten, waarna hij de spreuk moest voorlezen: ‘Wanneer komt de kerstman binnen met zijn rendieren? Als de deur openstaat.’
Colin had zijn rode kroon al op. Hij ging op de grond zitten en begon zijn pakjes open te maken. De zeeptabletten waren een doorslaand succes. ‘Ziet u wel,’ zei Colin, die zijn mond opensperde, ‘mijn tong krijgt allemaal verschillende kleuren.’ Dat was ook zo, net als zijn tanden en de randen van zijn lippen.
Het boek leek in de smaak te vallen, hoewel hij er duidelijk liever een met hologrammen had gehad. Hij bladerde erin en bekeek de afbeeldingen.
‘Kijk dat eens!’ Hij hield het boek onder de neus van Dunworthy, die nog bezig was om wakker te worden.
Op de foto was de graftombe van een ridder te zien, met het gebruikelijke liggende beeld bovenop als symbool van de eeuwige slaap. In de zijkant was echter een kleinere voorstelling gehouwen, als een raampje in het graf, waarin het half weggeteerde geraamte van de ridder met zijn tot klauwen gekromde knokige vingers en gruwelijk lege oogkassen uit zijn graf probeerde te vluchten. Maden krioelden tussen zijn benen en over zijn zwaard. Het onderschrift luidde: ‘Oxfordshire, ca. 1350. Een voorbeeld van de macabere grafdecoraties in de nasleep van de Zwarte Dood.’