‘Is het niet apocalyptisch?’ zei Colin opgetogen.
Zelfs de sjaal bracht hem niet van zijn stuk. ‘Het gaat om het gebaar,’ zei hij, het ding in de lucht houdend. ‘Misschien kan ik hem omdoen als ik op ziekenbezoek ga,’ voegde hij er even later aan toe. ‘Die lui kan het toch niet schelen hoe ik eruitzie.’
‘Ziekenbezoek?’ zei Dunworthy.
Colin stond op, ging naar zijn tas en begon daarin te rommelen. ‘De dominee vroeg gisteravond of ik wilde helpen boodschappen voor zieke mensen te doen en medicijnen rond te brengen.’
Hij viste een papieren zak uit zijn tas. ‘Dit is uw cadeau.’ Hij gaf de zak aan Dunworthy. ‘Het is niet ingepakt,’ zei hij ten overvloede. ‘Finch zei dat we zuinig met papier moeten zijn.’
Dunworthy maakte de zak open en haalde er een dun rood boekje uit.
‘Het is een zakkalender,’ zei Colin. ‘Dan kunt u aankruisen wanneer uw meisje terugkomt.’ Hij sloeg het boekje open. ‘Kijk, ik heb er een genomen waar december nog in staat.’
‘Dank je wel,’ zei Dunworthy. Kerstmis, Onnozele-kinderendag, nieuwjaarsdag, Driekoningen. ‘Dat is heel attent van je.’
‘Ik had een model van Carfax Tower willen kopen dat “I Heard the Bells on Christmas Day” speelt,’ zei Colin, ‘maar dat kost twintig pond!’
De telefoon ging en Colin en Dunworthy sprongen er gelijktijdig op af. ‘Dat is vast mijn moeder,’ zei Colin.
Het was Mary, die uit het ziekenhuis belde. ‘Hoe voel je je?’
‘Slaperig,’ zei Dunworthy.
Colin grinnikte.
‘Hoe gaat het met Latimer?’ vroeg Dunworthy.
‘Goed.’ Mary droeg nog steeds haar lange witte jas, maar ze had haar haren gekamd en zag er opgewekt uit. ‘Ik geloof dat hij maar een heel milde vorm heeft. We hebben een verband vastgesteld met het South Carolina-virus.’
‘Is Latimer in South Carolina geweest?’
‘Nee, een van de studenten die je gisteravond hebt ondervraagd… Lieve help, dat is alweer twee avonden geleden. Ik weet gewoon niet meer welke dag het is. Een van de studenten die op het feest in Headington waren. Hij had het eerst verzwegen, omdat hij van zijn kamer was geslopen om een vriendin te ontmoeten en zich door een vriend had laten indekken.’
‘En Amerika dan?’
‘Zijn vriendin kwam uit Texas. Ze was overgestapt in Charleston, South Carolina. De Amerikanen zoeken uit welke zieken er op het vliegveld zijn geweest. Geef me Colin even. Ik wil hem een vrolijke kerst wensen.’
Hij gaf de hoorn aan Colin, die begon op te noemen wat hij allemaal had gekregen, compleet met de spreuk uit zijn knalbonbon. ‘Meneer Dunworthy heeft me een boek over de middeleeuwen gegeven.’ Hij hield het voor het scherm. ‘Wist u dat ze van dieven het hoofd afhakten en op de London Bridge tentoonstelden?’
‘Bedank haar voor de sjaal,’ fluisterde Dunworthy, ‘en zeg niet dat je de dominee moet helpen,’ maar Colin gaf hem de hoorn alweer terug. ‘Ze wil u nog spreken.’
‘Ik merk dat je goed voor hem zorgt,’ zei Mary. ‘Ik ben je erg dankbaar. Ik ben nog niet thuis geweest en het zou vervelend zijn als hij met Kerstmis alleen moest blijven. Zijn moeder heeft zeker geen cadeautjes gestuurd?’
‘Nee,’ zei Dunworthy met een behoedzame blik op Colin, die de plaatjes in zijn ridderboek zat te bekijken.
‘Ze heeft ook niet gebeld,’ zei Mary verontwaardigd. ‘Dat mens heeft totaal geen moederlijke gevoelens. Colin zou net zo goed met veertig graden koorts in het ziekenhuis kunnen liggen, of niet soms?’
‘Hoe is het met Badri?’ vroeg Dunworthy.
‘Zijn temperatuur was vanmorgen wat gezakt, maar hij heeft nog behoorlijk last van zijn longen. Hij krijgt synthamycine. In South Carolina hebben ze daar heel goede resultaten mee geboekt.’ Ze zei dat ze zou proberen voor het eten langs te komen en verbrak de verbinding.
Colin keek op uit zijn boek. ‘Wist u dat ze in de middeleeuwen mensen op de brandstapel verbrandden?’
Mary kwam niet langs en belde evenmin terug, net als Andrews. Dunworthy stuurde Colin naar de eetzaal om te ontbijten en probeerde de ingenieur te bereiken. De computer zei dat alle lijnen bezet waren ‘vanwege de kerstdrukte’. Het ding was sinds het begin van de quarantaine blijkbaar niet meer aangepast. Hij kreeg de raad alle niet urgente telefoontjes tot de volgende dag uit te stellen. Hij probeerde het nog twee keer, met hetzelfde resultaat.
Finch kwam binnen met een dienblad. ‘Hoe voelt u zich, meneer?’ vroeg hij gespannen. ‘Bent u niet ziek?’
‘Ik ben niet ziek. Ik zit op een telefoontje van buiten de stad te wachten.’
‘De hemel zij dank, meneer. Ik vreesde het ergste toen u niet kwam ontbijten.’ Hij haalde de natgeregende doek van het dienblad. ‘Het is niet wat je noemt een feestelijk ontbijt, maar we zijn bijna door onze eieren heen. Ik vraag me af hoe dat vanavond moet. Er is in heel Oxford en omstreken geen gans meer te vinden.’
Het zag er feitelijk nog heel behoorlijk uit: een gekookt eitje, gerookte haring en broodjes met jam.
‘Ik had een kerstpudding willen maken, meneer, maar we zijn bijna door de brandewijn heen.’ Finch haalde een plastic envelop te voorschijn en gaf die aan Dunworthy.
Er zaten enkele formulieren van de Gezondheidsraad in. Het bovenste bevatte aanbevelingen onder het kopje: ‘Eerste symptomen van influenza. 1) Desoriëntatie. 2) Hoofdpijn. 3) Spierpijn. Voorkom infectie en draag altijd het voorgeschreven gezichtsmasker.’
‘Gezichtsmasker?’ vroeg Dunworthy.
‘Ze zijn vanochtend afgeleverd,’ zei Finch. ‘Ik weet niet hoe het met wassen moet. De zeep is bijna op.’
Er waren nog vier soortgelijke richtlijnen van de Gezondheidsraad, evenals een briefje van William Gaddson met een overzicht van Badri’s betalingen op maandag 20 december. Badri had tussen twaalf uur en halfdrie blijkbaar inkopen gedaan. Hij had bij Blackwell’s vier boeken gekocht en bij Debenham’s een rode sjaal en een digitaal miniatuurcarillon. Prachtig, dan had hij dus nog eens tientallen mensen gezien.
Colin kwam binnen met een handvol broodjes in een servetje. Hij had nog steeds zijn papieren kroon op, die erg onder de regen had geleden.
‘Iedereen zou erg opgelucht zijn, meneer,’ zei Finch, ‘als u na uw telefoongesprek naar de eetzaal zou komen. Vooral mevrouw Gaddson is ervan overtuigd dat u ziek bent geworden. Ze zei dat het door de gebrekkige ventilatie in de slaapzalen komt.’
‘Ik zal mijn neus wel even laten zien,’ beloofde Dunworthy.
Finch ging naar de deur en draaide zich weer om. ‘Nog even over mevrouw Gaddson, meneer. Haar gedrag is stuitend. Ze bekritiseert alles en iedereen en staat erop dat ze op de kamer van haar zoon slaapt. Ze is heel slecht voor het moreel.’
‘Dat geloof ik graag,’ zei Colin, die de broodjes op tafel legde. ‘Mevrouw Godsamme zei dat warme broodjes slecht waren voor mijn afweersysteem.’
‘Kan ze geen vrijwilligerswerk in het ziekenhuis doen?’ vroeg Finch. ‘Om haar hier weg te houden?’
‘Dat kunnen we die arme patiënten niet aandoen, dat zou hun dood worden. Maar je kunt het aan de dominee vragen. Die had nog mensen nodig.’
‘De dominee?’ zei Colin. ‘Alstublieft niet, meneer Dunworthy. Ik werk al voor de dominee.’
‘De Heilige Hervormden dan maar,’ zei Dunworthy. ‘Hun priester houdt het moreel hoog door de mis voor tijden van pestilentie op te dragen, dus die moet het uitstekend met haar kunnen vinden.’