‘Ik zal hem direct bellen,’ zei Finch. Hij ging de deur uit.
Dunworthy nuttigde zijn ontbijt, behalve het broodje, dat door Colin werd geconfisqueerd. Hij gaf de jongen opdracht hem onmiddellijk te komen halen zodra Andrews belde en ging met het lege dienblad naar de eetzaal. Het regende nog altijd. Het water droop van de verlichte kerstboom op de binnenplaats.
Iedereen zat nog aan tafel, behalve het bellenkoor. De dames hadden hun witte handschoenen aangetrokken en stonden met hun klokkenspel in een hoek. Finch demonstreerde hoe je de maskers moest uitpakken en voor je gezicht doen.
‘U ziet er helemaal niet goed uit, meneer Dunworthy,’ zei mevrouw Gaddson. ‘En dat is geen wonder ook. De toestand is hier gewoon onbeschrijfelijk. Ik begrijp niet dat er nog niet eerder een epidemie is uitgebroken. Er is hier geen frisse lucht en het personeel is werkelijk heel ongezeglijk. Die Finch van u was ronduit bot toen ik vroeg waarom ik niet bij mijn zoon kon intrekken. Hij zei dat ik zelf ondanks de quarantaine naar Oxford was gekomen en dat ik maar genoegen moest nemen met wat me werd aangeboden.’
Colin kwam de zaal ingerend. ‘Er is telefoon voor u,’ zei hij.
Dunworthy wilde naar de deur gaan, maar de vrouw ging recht voor hem staan. ‘Ik zei dat híj misschien thuis zou blijven als zijn zoon in levensgevaar verkeerde, maar dat ik dat niet van plan was.’
‘Ik moet helaas naar de telefoon,’ zei Dunworthy.
‘Een moeder kan toch niet werkeloos blijven toezien terwijl haar kind ver weg ziek op bed ligt?’
‘Meneer Dunworthy!’ riep Colin. ‘Kom nou!’
‘Ik zie al dat u er geen snars van begrijpt. Kijk dit kind nu toch!’ Ze greep Colin bij zijn arm. ‘Dat loopt maar zonder jas in de regen te hollen!’
Dunworthy maakte van de gelegenheid gebruik om langs haar heen te lopen.
‘Het kan u blijkbaar niets schelen of uw zoon de Indische griep krijgt,’ zei ze. Colin rukte zich los. ‘Hij zit zich maar vol te proppen en loopt kletsnat rond.’
Dunworthy rende de binnenplaats over, op de hielen gezeten door Colin.
‘Het zou me niets verbazen als dat virus hier op Balliol is begonnen!’ riep Gaddson hen na. ‘Het is gewoon nalatigheid, dat is het! Gewoon nalatigheid!’
Dunworthy stormde zijn kamer in en nam op. Het scherm was leeg. ‘Andrews!’ riep hij. ‘Bent u daar? Ik kan u niet zien.’
‘De lijnen zijn overbelast,’ zei Montoya. ‘Daarom hebben ze de beeldverbinding uitgeschakeld. U spreekt met Lupe Montoya. Is Basingame op zalm of op forel?’
‘Wat?’ zei Dunworthy. Hij keek fronsend naar het lege scherm.
‘Ik heb de hele ochtend met Schotse reisgidsen zitten bellen, voor zover ik ze kon bereiken. Waar hij zit, hangt af van de vraag of hij op zalm of op forel is gaan vissen. Heeft hij misschien visvrienden op de universiteit die dat zouden kunnen weten?’
‘Geen idee,’ zei Dunworthy. ‘Mevrouw Montoya, ik vrees dat ik een zeer dringend…’
‘Ik heb alles al geprobeerd, hotels, restaurants, botenverhuurders, zelfs zijn kapper. Ik heb zijn vrouw in Torquay gevonden, maar hij heeft haar niet verteld waar hij heen ging. Ik hoop maar niet dat hij ergens bij een vriendin zit en helemaal niet naar Schotland is gegaan.’
‘Het lijkt me niet dat Basingame…’
‘Nou ja, waarom weet niemand dan waar hij uithangt? En waarom heeft hij niet gebeld? De epidemie is toch uitgebreid in het nieuws geweest?’
‘Ik moet nu echt…’
‘Ik ga maar weer eens een paar andere gidsen bellen. U hoort het wel als ik hem heb gevonden.’
Ze hing eindelijk op. Dunworthy bleef naar het toestel staren, overtuigd dat Andrews geprobeerd had hem te bereiken terwijl hij met Montoya in gesprek was geweest.
‘U zei toch dat er in de middeleeuwen veel epidemieën waren geweest?’ vroeg Colin. Hij zat op de vensterbank met het boek op zijn knieën broodjes te eten.
‘Ja.’
‘Ik kan er hier niets over vinden. Hoe spel je epidemie?’
‘Kijk eens onder Zwarte Dood,’ zei Dunworthy.
Hij wachtte ongedurig een kwartier en probeerde Andrews zelf te bellen. De lijnen waren nog steeds geblokkeerd.
‘Wist u dat de Zwarte Dood ook in Oxford voorkwam?’ zei Colin. Hij had de broodjes soldaat gemaakt en wierp zich nu op de zeeptabletten. ‘En ook met Kerstmis, net als wij!’
‘Influenza kun je moeilijk met de pest vergelijken.’ Dunworthy keek strak naar de telefoon alsof hij Andrews wilde dwingen te bellen. ‘De Zwarte Dood kostte een derde tot de helft van alle Europeanen het leven.’
‘Dat weet ik,’ zei Colin. ‘En de pest was veel spannender. Je werd aangestoken door ratten en je kreeg van die reusachtige bobbels…’
‘Builen.’
‘Bobbels onder je oksels, geweldig groot, en als ze helemaal zwart waren ging je dood! Dat heb je niet bij influenza,’ zei hij teleurgesteld.
‘Nee.’
‘En griep is griep, maar je had drie verschillende soorten pest. Builenpest, longpest — dan hoestte je bloed op — en skepti, septi…’
‘Septikemische pest.’
‘Septikemische pest, dan kreeg je bloedvergiftiging en werd je helemaal zwart en binnen drie uur was je dood. Is dat niet apocalyptisch?’
‘Ja,’ zei Dunworthy.
De telefoon ging even na elf uur en Dunworthy nam haastig op, maar het was Mary. Ze zou niet voor het eten thuis kunnen zijn. ‘We hebben vanmorgen vijf nieuwe gevallen binnengekregen.’
‘We komen naar het ziekenhuis zodra Andrews heeft gebeld,’ beloofde Dunworthy. ‘Dat is een van mijn ingenieurs. Ik wil hem de lokalisatie laten controleren.’
Mary keek hem oplettend aan. ‘Heb je dat overlegd met Gilchrist?’
‘Gilchrist? Die wil Kivrin naar de Zwarte Dood sturen!’
‘Toch ben ik van mening dat je dit niet achter zijn rug om mag doen. Hij is waarnemend hoofd en het heeft geen nut hem te schofferen. Als er echt iets aan de hand is en Andrews moet de reis afbreken, dan heb je de medewerking van Gilchrist nodig.’ Ze glimlachte. ‘We hebben het er nog over als je hier bent. Ik wil je trouwens ook nog inenten.’
‘Ik dacht dat je op de uitslag wilde wachten?’
‘Ja, maar de door Atlanta aanbevolen behandeling slaat niet goed aan bij onze eerste patiënten. Een enkele toont wel verbetering, maar Badri is er eerder slechter aan toe. Ik wil iedereen die tot de risicogroep behoort extra bescherming geven.’
Het werd middag zonder dat Andrews had gebeld. Dunworthy stuurde Colin naar het ziekenhuis voor zijn inenting. De jongen kwam met een pijnlijk gezicht terug.
‘Was het zo erg?’ vroeg Dunworthy.
‘Nog erger,’ zei Colin, die op de vensterbank ging liggen. ‘Mevrouw Gaddson zag me toen ik terugkwam. Ik liep over mijn arm te wrijven en ze wilde weten waar ik was geweest en waarom ik wel een spuitje had gekregen en William niet.’ Hij keek Dunworthy verwijtend aan. ‘En het doet echt pijn! Ze zei dat haar arme Willy meer risico liep dan wie ook en dat het allemaal eh, necrofilie was dat ik eerder was ingeënt.’
‘Nepotisme?’
‘Nepotisme. Ik hoop dat de priester haar de doden laat begraven.’
‘Hoe was het met je tante?’
‘Ik heb haar niet gezien. Het was ontzettend druk, zelfs in de gangen stonden bedden.’
Colin en Dunworthy gingen om beurten naar de eetzaal voor het kerstdiner. Colin bleef nog geen vijftien minuten weg. ‘Het bellenkoor begon te spelen,’ zei hij. ‘Ik moest van meneer Finch zeggen dat er geen suiker en boter meer is en bijna geen koffiemelk.’ Hij haalde een stuk taart uit zijn jaszak. ‘Waarom waren de spruitjes niet op?’
Dunworthy gaf hem opdracht hem meteen te waarschuwen als Andrews belde en andere boodschappen aan te nemen, waarna hij zelf naar de eetzaal ging. Het bellenkoor stond in vol ornaat een canon van Mozart te pingelen.