Выбрать главу

Finch gaf hem een bord dat voornamelijk met spruitjes gevuld was. ‘Ik vrees dat de kalkoen bijna op is, meneer,’ zei hij. ‘Ik ben blij dat u er bent. Het is bijna tijd voor de kersttoespraak van de koningin.’

De Amerikaanse vrouwen kregen een warm applaus voor hun uitvoering van Mozart en mevrouw Taylor kwam naar hem toe met haar witte handschoenen nog aan. ‘Daar bent u, meneer Dunworthy! U was niet aan het ontbijt en meneer Finch zei dat ik bij u moest zijn. We hebben oefenruimte nodig.’

Ik wist niet dat u moest oefenen, had hij bijna gezegd. Hij stak een spruitje in zijn mond. ‘Oefenruimte?’

‘Ja, om onze Chicago Surprise Minor in te studeren. Ik heb met de deken van Christ Church afgesproken dat we ons nieuwjaarsconcert hier geven, maar dan moeten we ergens kunnen oefenen. Ik zei tegen meneer Finch dat de grote kamer in Beard uitstekend zou zijn, maar hij zei dat die als opslagkamer wordt gebruikt.’

Opslagkamer? Volgens Finch waren ze door bijna alles heen, behalve door de spruiten.

‘En de collegezalen worden vrijgehouden om eventuele patiënten in op te nemen, zei hij. We moeten een rustig plekje hebben waar we ons kunnen concentreren. De Chicago Surprise Minor is erg ingewikkeld. De diverse overgangen en wisselende tempi vergen het uiterste van de concentratie. En dan is er natuurlijk nog de afwijkende volgorde waarin de klokken bespeeld worden.’

‘Natuurlijk,’ zei Dunworthy.

‘Het hoeft geen grote kamer te zijn, maar wel een rustige. We hebben hier in de eetzaal geoefend, maar er lopen voortdurend mensen in en uit en de tenor raakt steeds in de war.’

‘Ik kan wel iets voor u regelen, denk ik.’

‘We zouden speciaal voor zeven klokken geschreven stukken ten gehore kunnen brengen, maar ik hoor dat onze collega’s van de Noordamerikaanse Synode dat vorig jaar met heel weinig succes hebben gedaan. De tenor was een volle tel achter en de aanslag was werkelijk vreselijk. Ook daar hebben we een goede oefenruimte voor nodig. De aanslag is zo belangrijk.’

‘Natuurlijk,’ zei Dunworthy.

Mevrouw Gaddson verscheen in de deuropening, op en top een moederdier. ‘Ik verwacht helaas een belangrijk telefoontje,’ zei hij, terwijl hij zich achter Taylor onzichtbaar probeerde te maken. Hij beloofde een oefenruimte te regelen waar ze hun aanslag konden perfectioneren en schoot door de keukendeur naar buiten.

Hij ging terug naar zijn eigen kamer. Andrews had niet gebeld, maar Montoya had een boodschap achtergelaten. ‘Ze zei dat u geen moeite meer hoefde te doen.’

‘Is dat alles? Heeft ze verder niets gezegd?’

‘Nee. Alleen dat u geen moeite meer hoeft te doen.’

Hij vroeg zich af of ze door een wonder Basingame te pakken had gekregen, of dat ze alleen nog maar het dilemma ‘zalm of forel’ had opgelost. Hij dacht erover haar terug te bellen, maar hij was bang dat de storing net op dat moment opgeheven zou worden en Andrews hem zou bellen.

Dat laatste gebeurde pas tegen vieren. ‘Het spijt me verschrikkelijk dat ik u niet eerder heb gebeld.’

Er was nog steeds geen beeld, maar Dunworthy hoorde muziek en gepraat op de achtergrond. ‘Ik ben net thuisgekomen en het kostte heel veel moeite om u aan de lijn te krijgen,’ zei Andrews. ‘Het net is overbelast door de drukte, denk ik. Ik heb van alles…’

Dunworthy viel hem in de rede. ‘Ik wil dat je naar Oxford komt. Je moet een lokalisatie voor me controleren.’

‘Natuurlijk, meneer,’ zei Andrews prompt. ‘Wanneer?’

‘Zo snel mogelijk. Vanavond?’

‘O,’ zei hij minder prompt. ‘Is morgen ook goed? Mijn vriendin komt pas laat terug en we wilden morgen kerst vieren, maar dan kan ik ’s middags of ’s avonds een trein nemen. Is dat in orde of is er haast bij?’

‘Onze technicus is ziek geworden en ik heb iemand nodig om de lokalisatie na te trekken,’ zei Dunworthy. Uit het toestel klonk ineens een lachsalvo en hij verhief zijn stem. ‘Hoe laat kun je hier zijn, denk je?’

‘Ik weet het niet zeker. Kan ik u morgen terugbellen om te zeggen hoe laat ik arriveer?’

‘Ja, maar de trein gaat niet verder dan Barton. Vandaar zul je een taxi moeten nemen. Ik regel wel dat ze je doorlaten. Afgesproken, Andrews?’

Hij kreeg geen antwoord, hoewel de muziek nog te horen was. ‘Andrews? Ben je daar nog?’ Het was hopeloos zonder beeld.

‘Ja, meneer,’ zei Andrews, niet erg enthousiast. ‘Wat moest ik ook alweer voor u doen?’

‘Een lokalisatie controleren. Onze technicus is…’

‘Nee, dat laatste. Wat zei u over de trein?’

‘Neem de trein naar Barton,’ zei Dunworthy luid en duidelijk. ‘Verder gaat hij niet, vanwege de quarantaine. In Barton neem je een taxi naar Oxford.’

‘Quarantaine?’

‘Ja,’ zei Dunworthy geërgerd. ‘Ik zorg ervoor dat je wordt doorgelaten.’

‘Welke quarantaine?’

‘Er heerst een virus. Heb je er niets over gehoord?’

‘Nee, meneer. Ik was in Florence voor een tijdreis en ik ben pas vanmiddag teruggekomen. Is het erg?’ Hij klonk niet geschrokken, alleen geïnteresseerd.

‘Er zijn tot nu toe eenentachtig patiënten,’ zei Dunworthy.

‘Tweeëntachtig,’ zei Colin vanaf de vensterbank.

‘Maar ze weten wat voor virus het is en er is een vaccin onderweg. Het is niet dodelijk.’

‘Maar dan zullen er wel een hoop mensen vast zijn komen te zitten,’ zei Andrews, ‘en dat met de kerstdagen. Ik zal u morgen bellen, zodra ik weet hoe laat ik bij u kan zijn.’

‘Ja,’ riep Dunworthy, om zich boven het rumoer verstaanbaar te maken. ‘Ik ben hier.’

‘Afgesproken,’ zei Andrews. Hij legde neer terwijl de feestgangers opnieuw in lachen uitbarstten.

‘Komt hij?’ vroeg Colin.

‘Ja, morgen.’ Dunworthy toetste het nummer van Gilchrist.

Gilchrist verscheen op het beeldscherm. Hij zat aan zijn bureau en keek hem strijdlustig aan. ‘Meneer Dunworthy, als u soms wilt dat we Kivrin terughalen…’

Kon ik dat maar, dacht Dunworthy. Hij vroeg zich af of Gilchrist niet eens besefte dat Kivrin het rendez-vous allang had verlaten en er daarom niet zou zijn als ze nu het net openden.

‘Nee,’ zei hij. ‘Ik heb een ingenieur gevonden die de lokalisatie kan controleren.’

‘Meneer Dunworthy, mag ik u eraan herinneren…’

‘Ik weet heel goed dat deze reis onder uw verantwoordelijkheid valt,’ zei Dunworthy, die zich probeerde te beheersen. ‘Ik wilde alleen maar helpen. Ik weet hoe moeilijk het is om met de feestdagen een technicus te vinden, daarom heb ik een van mijn mensen in Reading gebeld. Hij kan hier morgen zijn.’

Gilchrist perste afkerig zijn lippen op elkaar. ‘Dit zou allemaal niet nodig zijn geweest als uw man niet ziek was geworden. Maar het is nu eenmaal zo, dus vooruit maar. Laat hij zich bij mij melden zodra hij arriveert.’

Dunworthy slaagde erin beleefd afscheid te nemen, maar zodra het scherm zwart werd smeet hij de hoorn op de haak, nam meteen weer op en begon driftig een nummer in te tikken. Hij moest en zou Basingame vinden, al kostte het hem de hele middag.

Maar de computer van de centrale meldde dat alle lijnen weer bezet waren. Hij legde neer en staarde naar het lege scherm.

‘Verwacht u nog een ander telefoontje?’ vroeg Colin.

‘Nee.’

‘Kunnen we dan naar het ziekenhuis? Ik heb een cadeautje voor tante Mary.’

En dan kan ik regelen dat Andrews wordt doorgelaten, dacht Dunworthy. ‘Goed idee. Doe je nieuwe sjaal maar om.’

Colin propte het ding in zijn jaszak. ‘Ik doe hem wel om als we er zijn,’ zei hij grinnikend. ‘Ik wil niet dat ze me daar onderweg mee zien lopen.’

Ze kwamen onderweg geen mens tegen. De straten waren volledig verlaten, zelfs fietsen en taxi’s waren er niet. De dominee had gezegd dat de mensen zich in huis zouden opsluiten als de epidemie verder om zich heen greep. Maar misschien waren ze wel door het carillon van Carfax van de straat gejaagd. Dat speelde ‘The Carol of the Bells’ en klonk nu nog luider in de lege straten. Of ze lagen te slapen na een overdadig kerstmaal. Of ze waren zo verstandig niet in de regen te gaan lopen.