Выбрать главу

Pas in het ziekenhuis kwamen ze weer mensen tegen. Voor de ingang van de eerstehulp stond een vrouw in een regenjas. Ze had een protestbord in haar handen met het opschrift: ‘Geen vreemde ziektes in ons land.’ Een man met een gezichtsmasker deed de deur voor hen open en gaf Dunworthy een natgeregende folder.

Dunworthy ging naar de balie en vroeg naar Mary voordat hij de folder las. Het kopje luidde: BESTRIJD DE INFLUENZA. STEM VOOR UITTREDING UIT DE EU. De tekst daaronder begon als volgt: ‘Waarom kunt u geen Kerstmis vieren met uw familie en vrienden? Waarom moet u in Oxford blijven? Waarom dreigt u een dodelijke ziekte op te lopen? Omdat de EU besmette buitenlanders toestaat naar Engeland te reizen, zonder dat de Engelsen daar een stem in hebben. Een immigrant uit India met het dodelijke virus…’

Dunworthy sloeg de rest over. Hij draaide het papier om. ‘Een stem voor uittreding is een stem voor uw gezondheid. Comité voor een Onafhankelijk Groot-Brittannië.’

Mary kwam binnen. Colin pakte zijn sjaal en deed hem haastig om. ‘Vrolijk kerstfeest,’ zei hij. ‘Dank u wel voor de sjaal. Zal ik uw knalbonbon opentrekken?’

‘Graag,’ zei Mary. Ze zag er moe uit. Ze droeg nog dezelfde witte jas als twee dagen geleden. Iemand had een takje hulst op haar revers gespeld.

Colin trok aan het touwtje.

‘Zet uw kroon op,’ zei hij en haalde een blauw papieren kroontje te voorschijn.

‘Heb je nog wat kunnen slapen?’ vroeg Dunworthy.

‘Een beetje.’ Ze zette het kroontje op haar verwarde grijze haar. ‘We hebben vanmiddag nog eens dertig patiënten binnengekregen. Ik heb de hele dag geprobeerd het WIC te bereiken, maar de lijnen zijn geblokkeerd.’

‘Ik weet het,’ zei Dunworthy. ‘Kan ik naar Badri?’

‘Twee minuten dan,’ zei ze fronsend. ‘Hij reageert helemaal niet op de synthamycine, net zomin als de twee studenten die ook in Headington zijn geweest. Met Beverly Breen gaat het iets beter. Ik maak me zorgen. Ben jij al ingeënt?’

‘Nog niet, maar Colin wel.’

‘En het deed hartstikke veel pijn.’ Colin pakte het papiertje met de spreuk. ‘Zal ik hem voorlezen?’

Mary knikte.

‘Er komt morgen een ingenieur om de lokalisatie na te trekken,’ zei Dunworthy. ‘Wat moet ik doen om te zorgen dat hij wordt doorgelaten?’

‘Niets, geloof ik. Mensen mogen alleen de streek niet uit.’

De administratrice nam Mary apart en begon op dringende toon tegen haar te fluisteren.

‘Ik moet nu weg,’ zei Mary. ‘Blijf in het ziekenhuis tot je je injectie hebt gehad. Wacht hier op me als je bij Badri bent geweest. Colin, wacht jij maar op meneer Dunworthy.’

Hij ging naar de isoleerafdeling. Er zat niemand achter de balie, daarom pakte hij zelf steriele kleding, trok als laatste de handschoenen aan en ging naar binnen.

De knappe verpleegster die zoveel belangstelling voor William had, stond in de kamer Badri’s pols op te nemen en naar de monitoren te kijken. Dunworthy bleef bij het voeteneind van het bed staan.

Badri reageerde niet op de behandeling, had Mary gezegd, maar Dunworthy schrok toch van zijn uiterlijk. Zijn gezicht was weer donker van de koorts en zijn ogen waren gezwollen, alsof hij een klap had gekregen. In zijn rechterarm stak een grote canule en de huid eromheen was bont en blauw. Zijn andere arm was van de vingertoppen tot de elleboog helemaal zwart.

‘Badri?’ zei hij. De zuster schudde haar hoofd.

‘U kunt maar heel even blijven,’ zei ze.

Dunworthy knikte.

Ze legde Badri’s willoze hand op het laken, tikte iets in en verliet de kamer.

Dunworthy ging naast het bed zitten en keek naar de beeldschermen. Ze waren nog even onbegrijpelijk als eerst, gevuld met diagrammen, lijnen en talloze cijfers. Hij keek naar Badri, die er doodziek uitzag. Hij klopte zachtjes op zijn hand en stond op om weg te gaan.

‘Het waren de ratten,’ mompelde Badri.

‘Badri?’ zei Dunworthy zacht. ‘Ik ben het, Dunworthy.’

‘Dunworthy…’ Badri hield zijn ogen gesloten. ‘Ga ik dood?’

Dunworthy voelde een steek van angst door zich heen gaan. ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei hij opgewekt. ‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Het is altijd dodelijk,’ zei Badri.

‘Wat is dodelijk?’

Badri gaf geen antwoord. Dunworthy bleef bij hem tot de zuster terugkwam, maar Badri zei niets meer.

‘Hij moet nu rusten, meneer Dunworthy.’

‘Ik weet het.’ Hij ging naar de deur en keek nog even naar Badri. Hij deed de deur open.

‘Ze zijn allemaal gestorven,’ zei Badri. ‘Half Europa.’

Colin stond bij de balie toen hij beneden kwam en vertelde de administratrice wat hij voor de kerst had gekregen. ‘De pakjes van mijn moeder zijn nog niet gekomen door de quarantaine. De post liet ze niet door.’

Dunworthy vroeg naar zijn injectie en de vrouw knikte. ‘U moet nog heel even wachten.’

Ze gingen zitten. Ze zijn allemaal gestorven, dacht Dunworthy. Half Europa.

‘Ik heb haar spreuk nog niet voorgelezen,’ zei Colin. ‘Wilt u hem horen?’ Hij wachtte niet op antwoord. ‘Waar was de kerstman toen het licht uitging?’ Hij keek Dunworthy vol verwachting aan.

Dunworthy schudde zijn hoofd.

‘In het donker.’

Hij haalde de toverbal uit zijn zak, wikkelde hem uit het papiertje en stopte hem in zijn mond. ‘Maakt u zich zorgen over uw meisje?’

‘Ja.’

Hij vouwde het papiertje heel klein op. ‘Ik snap niet waarom u haar niet terughaalt.’

‘Ze is niet meer op dezelfde plek. We moeten wachten op het rendez-vous.’

‘Nee, ik bedoel, waarom gaat u niet iets eerder terug in de tijd, dan kunt u haar opwachten voordat er iets gebeurt. U kunt toch zelf de tijd uitkiezen, of niet?’

‘Nee,’ zei hij. ‘Je kunt wel iemand op weg sturen, maar zodra je er bent werkt het net alleen voor jou. Heb je op school de paradoxen al gehad?’

‘Ja,’ zei Colin, maar hij klonk niet zeker van zijn zaak. ‘Dat zijn toch de wetten van het tijdreizen?’

‘Het ruimte-tijdcontinuüm staat geen paradoxen toe,’ zei Dunworthy. ‘Het zou een paradox zijn als Kivrin iets liet gebeuren wat nooit echt gebeurd ìs, of als ze een anachronisme veroorzaakte.’

Colin leek het nog niet te begrijpen.

‘Een van de wetten zegt, dat niemand tegelijkertijd op twee verschillende plaatsen kan zijn. Ze is nu al vier dagen in het verleden. Daar kunnen we niets meer aan veranderen; het is al gebeurd.’

‘Hoe komt ze dan terug?’

‘Zodra ze weg was, stelde onze ingenieur een zogenaamde lokalisatie vast. Daardoor weten we precies waar ze is en hebben we een, eh…’ Hij zocht naar een begrijpelijke term. ‘Een koppeling. We kunnen de twee tijdperken met elkaar verbinden en ervoor zorgen dat het net op een bepaald moment weer opengaat, zodat ze terug kan komen.’

‘Dus het is zoiets als wanneer wij om zes uur met tante Mary afspreken?’

‘Precies. Dat heet het rendez-vous. Kivrin moet over twee weken terugkomen, op 28 december. Dan opent onze technicus het net en komt Kivrin in haar eigen tijd terug.’

‘Ik dacht dat het daar dezelfde datum was? Over twee weken is het toch niet de achtentwintigste?’

‘In de middeleeuwen hadden ze een andere tijdrekening. Volgens hun kalender is het 17 december en de datum van het rendez-vous is de zesde januari.’ Als ze het haalt. Als ik iemand kan vinden om het net te openen.

Colin haalde de toverbal uit zijn mond en keek er peinzend naar. Het ding had witte en blauwe vlekken en zag er wel een beetje uit als de maan. Hij stopte hem weer in zijn mond. ‘Dus als ik op 26 december naar het jaar 1320 ging, zou ik twee keer Kerstmis kunnen vieren.’