‘Ja, dat is zo.’
‘Apocalyptisch,’ zei Colin. Hij wikkelde het papiertje weer open om het vervolgens nog kleiner op te vouwen. ‘Ik geloof dat ze u zijn vergeten, denkt u niet?’
‘Daar ziet het wel naar uit,’ zei Dunworthy. Hij hield een voorbijkomende arts aan en zei dat hij op een inenting zat te wachten.
‘O?’ zei de arts verrast. ‘Ik zal eens navragen.’ Hij verdween in de gang.
Ze bleven wachten. Het waren de ratten, had Badri gezegd. En de eerste avond had hij gevraagd welk jaar het was. Maar hij had ook gezegd dat er slechts een minimale verschuiving was opgetreden, dat de stagiair geen foute berekeningen had gemaakt.
Colin nam de toverbal weer uit zijn mond en bekeek hem van alle kanten. ‘Als er nou iets ergs gebeurt,’ zei hij met half dichtgeknepen ogen, ‘kunt u dan helemaal niets doen? Als ze nou een arm breekt of doodgaat omdat er een bom ontploft of zo?’
‘Het zijn wetenschappelijk vastgestelde wetten, Colin. Daar kun je niets aan veranderen. Het net gaat gewoon niet open als we iets aan de geschiedenis willen veranderen.’
Colin spuugde de toverbal uit in het papiertje en pakte hem zorgvuldig in. ‘Uw meisje komt heus wel terug,’ zei hij.
Hij stopte de toverbal in zijn jaszak en haalde er een dik pakje uit. ‘Ik ben vergeten tante Mary haar cadeautje te geven.’
Hij sprong op en was al bij de gangdeur voordat Dunworthy er erg in had, maar hij kwam even snel weer terug.
‘Wegwezen! Godsamme komt eraan!’ zei hij. ‘Ze komt deze kant op.’
Dunworthy ging staan. ‘Dat kunnen we net gebruiken.’
‘Hierheen,’ zei Colin. ‘Ik ben al eerder door de achterdeur gegaan.’ Hij holde naar een andere deur. ‘Kom mee!’
Dunworthy liep zo snel mogelijk achter Colin aan, die hem door een hele serie gangen naar een dienstingang bracht. Ze kwamen in een zijstraat. Bij de deur stond een man met een reclamebord op borst en rug. ‘De ondergang is nabij’ stond er op het bord en dat vond Dunworthy een merkwaardig toepasselijke tekst.
‘Ik zal kijken of ze ons niet in de gaten heeft gehad,’ zei Colin. Hij holde de hoek om naar de hoofdingang.
De man gaf Dunworthy een stencil. HET EINDE DER TIJDEN NADERT! stond er met grote letters op. ‘Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen. Openbaring 14:7.’
Colin zwaaide naar hem op de hoek. ‘U kunt komen,’ zei hij hijgend. ‘Ze staat binnen te schelden.’
Dunworthy gaf het papier terug aan de man en liep naar Colin toe. De jongen ging hem voor naar Woodstock Road. Dunworthy keek gespannen om naar de ingang van het ziekenhuis, maar zelfs de demonstranten waren niet meer te zien.
Colin liep nog een eindje snel door voordat hij zijn pas vertraagde. Hij haalde het pakje zeeptabletten uit zijn zak en bood Dunworthy er een aan.
Dunworthy sloeg het aanbod af.
Colin stopte een roze snoepje in zijn mond en brabbelde: ‘Ik heb nog nooit zo’n leuke kerst gehad.’
Dunworthy dacht daar geruime tijd over na. Het carillon was bezig ‘In the Bleak Midwinter’ te verminken, wat al even toepasselijk scheen. De straten waren nog altijd uitgestorven, maar in Broad Street zagen ze een bekende gestalte met gebogen hoofd door de regen op zich af komen.
‘Dat is meneer Finch,’ zei Colin.
‘Lieve god,’ zei Dunworthy. ‘Waar zouden we nu weer doorheen zijn?’
‘De spruitjes, hoop ik.’
Finch keek op toen hij hen hoorde praten. ‘Daar bent u, meneer Dunworthy! De hemel zij dank, ik heb u overal gezocht.’
‘Wat is er?’ zei Dunworthy. ‘Ik heb mevrouw Taylor beloofd voor oefenruimte te zorgen.’
‘Daar gaat het niet om, meneer. Twee van onze gasten zijn ziek geworden.’
21 december 1320 (Oude Stijl). Vader Roche weet niet waar het rendez-vous is. Hij heeft me meegenomen naar de plaats waar hij Gawyn tegenkwam, maar zelfs de open plek kon ik me niet goed herinneren. Gawyn moet hem een heel eind uit de buurt hebben ontmoet en toen was ik al half buiten westen.
Ik heb vandaag gemerkt dat ik het rendez-vous nooit in mijn eentje kan vinden. Het bos is te uitgestrekt en door de sneeuw lijken alle open plekken, eiken en wilgen op elkaar. Ik had het rendez-vous beter moeten aangeven.
Gawyn zal me er nu naartoe moeten brengen, maar hij is nog niet terug. Rosemund vertelde dat het een halve dag rijden is naar Courcy, maar dat hij vanwege de regen vermoedelijk zal blijven overnachten.
Het regent hard sinds we terug zijn en daardoor verdwijnt de sneeuw misschien, maar nu kan ik ook moeilijk op zoek gaan en hier binnen is het steenkoud. Iedereen heeft zijn mantel aan en blijft zo dicht mogelijk bij het vuur.
Wat moeten de dorpelingen in vredesnaam beginnen? Hun hutjes bieden geen beschutting tegen de wind en waar ik binnen ben geweest was geen deken te bekennen. Ze moeten letterlijk doodvriezen en volgens Rosemund heeft de meier gezegd dat het tot de kerst blijft regenen.
Rosemund verontschuldigde zich voor haar slechte humeur tijdens ons uitstapje en zei dat ze alleen maar boos op haar zusje was geweest.
Agnes had er niets mee te maken. Rosemund is blijkbaar geschrokken van het nieuws dat haar aanstaande voor de kerst is uitgenodigd. Toen ik even alleen met haar was vroeg ik of ze tegen het huwelijk opzag.
‘Mijn vader wil het zo,’ zei ze, terwijl ze een nieuwe draad in haar naald stak. ‘We zijn met Sint-Maarten verloofd. De bruiloft is met Pasen.’
‘En ben jij het ermee eens?’ vroeg ik.
‘Hij is een goede partij,’ zei ze. ‘Heer Bloet staat in hoog aanzien en zijn grond grenst aan het land van mijn vader.’
‘Vind je hem aardig?’
Ze stak de naald in het linnen, dat over een houten raam was gespannen. ‘Mijn vader heeft het beste met me voor.’ Ze trok de lange naald door de stof heen.
Verder wilde ze niets kwijt en van Agnes hoorde ik alleen dat ze heer Bloet aardig vond en dat hij een zilveren penning voor haar had meegebracht, vermoedelijk een deel van de verlovingsgeschenken.
Agnes had het te druk met haar knie. Onderweg naar huis klaagde ze er na een tijdje niet meer over, maar nadat ze was afgestegen liep ze overdreven te hinken. Ik dacht dat ze aandacht probeerde te trekken, maar toen ik haar knie bekeek zag ik dat de korst helemaal had losgelaten. De huid eromheen was rood en opgezet.
Ik waste haar knie, zocht een schone doek — ik ben bang dat het een hoofddoek van Imeyne was, want hij lag in de kist bij het bed — en deed die eromheen. Nu zit ze rustig bij het vuur met haar ridder te spelen, maar ik maak me toch zorgen. Een ontstoken wond kan gevaarlijk zijn. In de middeleeuwen hadden ze nog geen middel tegen microben.
Ook Eliwys is bezorgd. Ze had Gawyn vanavond terug verwacht en liep voortdurend naar de deur om naar buiten te kijken. Ik ben er nog niet achter wat ze voor Gawyn voelt. Soms, zoals vandaag, denk ik dat ze verliefd op hem is, maar dat ze bang is voor de gevolgen. Overspel was voor de kerk een doodzonde. Maar op andere momenten geloof ik dat zijn liefde helemaal niet wordt beantwoord en dat ze te veel over haar gemaal in zit om aan Gawyn te denken.
De verheven, onbereikbare edeldame was het ideaal van de hoofse liefde, maar kennelijk weet hij zelf ook niet of ze iets voor hem voelt. Zijn verzinsel over de struikrovers in het bos was bedoeld om indruk op haar te maken. Nog een geluk voor hem dat er niet echt twintig met zwaarden, knotsen en strijdbijlen bewapende rovers waren. Hij heeft er alles voor over om haar voor zich te winnen en dat weet vrouwe Imeyne ook. Ik geloof dat ze hem daarom naar Courcy heeft gestuurd.