Выбрать главу

18

Toen ze weer op Balliol kwamen, hadden nog twee mensen de symptomen van het virus gekregen. Dunworthy stuurde Colin naar bed, hielp Finch met het onderbrengen van de zieken en belde het ziekenhuis.

‘Alle ambulances zijn onderweg,’ zei de administratrice. ‘We zullen er zo snel mogelijk een sturen.’

‘Zo snel mogelijk’ bleek middernacht te zijn. Het was één uur geweest voordat Dunworthy naar bed kon.

Colin lag te slapen op de stretcher die Finch voor hem had neergezet. Het boek over de riddertijd lag open onder zijn wang. Dunworthy dacht erover het weg te leggen, maar hij wilde de jongen niet wekken. Hij ging naar zijn slaapkamer.

Kivrin kon niet in een epidemie terecht zijn gekomen. Volgens Badri was er maar vier uur verschuiving en de builenpest had Engeland pas in 1348 bereikt. Kivrin was naar het jaar 1320 gestuurd.

Hij draaide zich om en sloot vastberaden zijn ogen. Ze kon niet in de Zwarte Dood zijn beland. Badri ijlde. Hij had van alles gebrabbeld, over deksels en porselein, niet alleen over ratten. Het sloeg nergens op, het kwam door de koorts. Hij was bang geweest voor Dunworthy. Hij had hem denkbeeldige briefjes gegeven. Het was allemaal wartaal.

‘Het waren de ratten,’ had Badri gezegd. De middeleeuwers wisten niet dat de ziekte door rattevlooien werd verspreid. Ze hadden geen benul van de oorzaak. Ze hadden iedereen beschuldigd: joden, heksen en krankzinnigen. Die laatsten waren vermoord, oude vrouwen opgehangen. Vreemdelingen waren naar de brandstapel gesleept.

Hij ging uit bed en liep op blote voeten naar de woonkamer. Op zijn tenen ging hij naar Colin toe en haalde voorzichtig het boek onder het hoofd van de jongen uit. Colin bewoog even, maar hij werd niet wakker.

Dunworthy ging op de vensterbank zitten en zocht het hoofdstuk over de Zwarte Dood op. De ziekte was in 1333 in China uitgebroken en werd met handelsschepen naar Messina op Sicilië en vandaar naar Pisa overgebracht. De pest had zich uitgebreid over Italië en Frankrijk — tachtigduizend doden in Siena, honderdduizend in Florence, driehonderdduizend in Rome — en was uiteindelijk het Kanaal overgestoken. Het eerste geval in Engeland werd in 1348 gemeld, ‘kort voor het feest van Johannes de Doper’, op vierentwintig juni.

Dat zou een verschuiving van achtentwintig jaar betekenen. Badri had zich van tevoren zorgen gemaakt over een verschil van hooguit enkele weken, niet van jaren.

Dunworthy stak zijn hand uit naar de kast en pakte het boek Pandemieën van Fitzwiller.

‘Wat bent u aan het doen?’ vroeg Colin slaperig.

‘Ik lees over de Zwarte Dood,’ fluisterde hij. ‘Ga maar weer slapen.’

‘Zo noemden ze het niet,’ mummelde Colin met volle mond. Hij ging op zijn andere zij liggen en trok de deken strak om zich heen. ‘Ze noemden het de blauwe ziekte.’

Dunworthy nam de twee boeken mee naar bed. Fitzwiller noemde 29 juni 1348, de dag van Sint Pieter, als datum waarop de pest in Engeland was begonnen. In december werden zieken in Oxford gemeld, in oktober 1349 in Londen. Daarna was de ziekte verder naar het noorden gegaan en ook terug over de Noordzee naar de lage landen en Noorwegen. Overal had de plaag toegeslagen, met uitzondering van Bohemen en Polen, waar een quarantaine was ingesteld. Vreemd genoeg had de pest ook sommige delen van Schotland ontzien.

De pest had op het platteland dood en verderf gezaaid en hele dorpen uitgeroeid, zodat er niemand meer was om de laatste sacramenten toe te dienen of de etterende lijken te begraven. In een bepaald klooster was slechts één monnik in leven gebleven, John Clyn. Hij had over de ziekte geschreven. ‘Opdat niet alles vergeten worde en verloren ga voor hen die na ons komen, heb ik, die zoveel kwaad heb gezien dat de gehele wereld wel in de greep van de Boze lijkt te zijn geraakt, wachtend op mijn dood, alle dingen opgeschreven waarvan ik getuige ben geweest.’

Hij had het als een echte historicus allemaal opgeschreven en daarna moest hij, helemaal alleen, zelf aan zijn einde zijn gekomen. Zijn handschrift eindigde abrupt en daaronder had iemand anders geschreven: ‘Hier is de schrijver blijkbaar gestorven.’

Er werd op de deur geklopt. Finch kwam binnen in zijn ochtendjas, met een vervallen uiterlijk en een zorgelijke blik in zijn ogen. ‘Er is weer iemand ziek geworden, meneer.’

Dunworthy legde een vinger tegen zijn lippen en nam hem mee naar buiten. ‘Heb je het ziekenhuis gebeld?’

‘Jawel, meneer. Ze zeiden dat het wel een paar uur kan duren voor er een ambulance beschikbaar is. We moeten de patiënte in afzondering houden en dimantadine en sinaasappelsap geven.’

‘Ik neem aan dat we daar bijna doorheen zijn?’ zei Dunworthy geprikkeld.

‘Ja, meneer, maar dat is niet het probleem. Ze wil niet meewerken.’

Dunworthy liet hem op de gang wachten terwijl hij zich aankleedde en zijn masker pakte, waarna ze samen naar Salvin gingen. Een groepje gestrande reizigers stond bij de deur, gehuld in ondergoed, jassen of dekens. Slechts enkelen droegen hun masker. Overmorgen zijn ze allemaal ziek, dacht Dunworthy.

‘Goddank dat u er bent,’ zei een van de mensen tegen hem. ‘Er is geen land met haar te bezeilen.’

Finch nam hem mee naar de zieke, die rechtop in bed zat. Het was een vrouw op leeftijd met dun grijs haar en ze had dezelfde koortsogen en dezelfde geagiteerde gemoedstoestand als Badri toen die net ziek was geworden.

‘Ga weg!’ zei ze, zodra ze Finch zag. Ze maakte een afwerend gebaar met haar hand. Daarna richtte ze haar brandende blik op Dunworthy. ‘Pappa!’ riep ze uit. Ze trok een pruilmondje. ‘Ik ben erg stout geweest,’ zei ze met een kinderstemmetje. ‘Ik heb de hele verjaardagstaart opgegeten en nu heb ik buikpijn.’

‘Ziet u wat ik bedoel, meneer?’ merkte Finch op.

‘Komen de indianen, pappa?’ vroeg ze. ‘Ik vind de indianen eng. Ze hebben pijl en boog.’

Het begon al licht te worden voordat ze haar op een veldbed in een van de collegezalen hadden gelegd. ‘Pappa wil dat je nu rustig blijft liggen,’ moest Dunworthy tenslotte zeggen. Net toen ze wat tot bedaren was gekomen, kwam de ziekenwagen. ‘Pappa!’ jammerde ze toen ze in de ambulance werd getild. ‘Laat me niet alleen!’

‘Lieve hemel,’ zei Finch toen de wagen wegreed. ‘Het is al tijd om te ontbijten. Ik hoop dat ze niet al het spek hebben opgemaakt.’

Hij haastte zich weg om toezicht te gaan houden en Dunworthy ging terug naar zijn kamer, waar hij op het telefoontje van Andrews wilde wachten. Colin zat halverwege de trap geroosterd brood te eten en zijn jack aan te trekken. ‘De dominee wil dat ik hem help kleren voor de mensen in te zamelen,’ zei hij met volle mond. ‘Tante Mary heeft gebeld. U moet terugbellen.’

‘Andrews niet?’

‘Nee.’

‘Is er weer beeldverbinding?’

‘Nee.’

‘Zet je masker op,’ riep Dunworthy hem na, ‘en doe je sjaal om!’

Hij belde Mary. Ongeduldig wachtte hij bijna vijf minuten tot ze eindelijk aan de lijn kwam.

‘James? Badri heeft naar je gevraagd.’

‘Gaat het beter met hem?’

‘Nee. Hij heeft nog steeds hoge koorts en hij is erg opgewonden. Hij noemt steeds jouw naam en zegt dat hij je iets moet vertellen. Zo kan het niet doorgaan. Als jij met hem komt praten, wordt hij misschien wat rustiger.’

‘Heeft hij iets over de pest gezegd?’ vroeg hij.

‘Over de pest?’ zei ze geërgerd. ‘Vertel me niet dat jij ook al aan die belachelijke praatjes gelooft, James. De mensen hebben het over cholera, over rachitis, over een terugkeer van de Pandemie…’

‘Nee,’ zei Dunworthy. ‘Badri had het gisteren over ratten, die half Europa het leven hadden gekost.’

‘Hij ijlt, James. Het komt door de koorts. Hij zegt maar wat.’

Ze heeft gelijk, dacht hij. Die vrouw had het over indianen met pijl en boog gehad, daarom verwachtte hij nog geen bende Sioux tegen te komen. Ze had in haar delirium gedacht dat ze te veel taart had gegeten en Badri had de pest verzonnen. Hij zei maar wat.