Выбрать главу

Toch zei hij dat hij zo snel mogelijk zou komen en ging op zoek naar Finch. Andrews had niet gezegd hoe laat hij zou bellen, maar Dunworthy wilde de telefoon niet onbeheerd achterlaten. Hij had Colin niet weg moeten laten gaan.

Finch zou wel in de eetzaal zijn om het spek desnoods met zijn leven te verdedigen. Hij legde de hoorn naast de haak, zodat iemand die belde zou denken dat hij in gesprek was, en stak de binnenplaats over.

Mevrouw Taylor kwam bij de ingang naar hem toe. ‘Ik wilde u net gaan zoeken,’ zei ze. ‘Ik hoor dat een paar mensen gisteravond ziek zijn geworden.’

‘Ja,’ zei hij, door de zaal kijkend.

‘O jee. Dan zijn we misschien allemaal besmet.’

Finch was nergens te zien.

‘Hoe lang is de incubatietijd?’ vroeg mevrouw Taylor.

‘Twaalf tot achtenveertig uur.’ Hij ging op zijn tenen staan om over de hoofden heen te kunnen kijken.

‘Wat vreselijk!’ zei ze. ‘Als een van ons nu eens tijdens de uitvoering ziek wordt? Wij zijn Traditioneel, moet u weten, niet van de Synode. De regels zijn heel duidelijk.’

Hij vroeg zich af waarom de Traditionelen, wat dat dan ook mochten zijn, regels hadden voor het geval iemand van het bellenkoor de griep kreeg.

‘Regel drie,’ zei mevrouw Taylor. ‘Het bespelen van de klok moet zonder onderbreking geschieden. We mogen niet een vervangster inzetten als iemand ineens omvalt. En het zou desastreus zijn voor de harmonie.’

Hij zag al voor zich hoe een van de leden met haar witte handschoenen in elkaar zakte en ruw opzij werd geschopt om de harmonie niet te verstoren.

‘Kun je het niet voelen aankomen?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘In een van die brochures hadden ze het over desoriëntatie, koorts en hoofdpijn, maar daar hebben we niets aan. Van het spelen krijg je altijd hoofdpijn.’

Geen wonder, dacht hij. Hij probeerde William Gaddson of een andere student te ontdekken die hij naar de telefoon kon sturen.

‘Bij de Synode hebben ze daar natuurlijk geen last van. Die mogen net zoveel mensen laten invallen als ze maar willen. Tijdens een uitvoering van Tittum Bob Maxims in York hadden ze negentien spelers. Negentien! Dat kun je toch geen klokkenspel meer noemen.’

Hij kon nergens een student bekennen, Finch zou zich wel in de bijkeuken hebben verschanst en Colin was al op weg naar de dominee. ‘Wilt u nog steeds een oefenruimte hebben?’ vroeg hij.

‘Ja, tenzij een van onze leden ziek wordt. We zouden natuurlijk Stedmans ten gehore kunnen brengen, maar dat is toch niet het echte werk, vindt u wel?’

‘U kunt mijn kamer gebruiken, op voorwaarde dat u de telefoon voor me aanneemt. Ik verwacht een belangrijk telefoontje en daarom moet er voortdurend iemand aanwezig zijn.’

Hij ging haar voor naar zijn kamer.

‘Erg groot is het niet,’ zei ze. ‘Ik weet niet of we hier wel uit de voeten kunnen. Mogen we het meubilair verplaatsen?’

‘Wat u maar wilt, zolang u de telefoon voor me aanneemt. Ik verwacht een telefoontje van meneer Andrews. Zegt u hem dat hij geen vergunning nodig heeft om Oxford in te komen. Laat hem rechtstreeks naar Brasenose gaan, daar wacht ik op hem.’

‘Nou ja, vooruit dan maar,’ zei ze, alsof ze hem een grote gunst bewees. ‘Het is in elk geval beter dan die tochtige kantine.’

Hij liet haar achter met zijn meubilair, helemaal niet overtuigd dat het wel zo’n goed idee was, en spoedde zich naar het ziekenhuis. Badri wilde hem iets vertellen. Half Europa is eraan gestorven.

Het miezerde nog maar een beetje en de betogers tegen de EU stonden weer voor de ingang van het ziekenhuis. Ze hadden versterking gekregen van een stel knapen van Colins leeftijd met zwart beschilderde gezichten. ‘Laat onze mensen vrij!’ schreeuwden ze.

Een van hen pakte Dunworthy bij zijn arm. ‘De regering heeft niet het recht u tegen uw wil hier te houden.’ De jongen bracht zijn gestreepte gezicht heel dicht bij het gemaskerde gelaat van Dunworthy.

‘Idioot,’ zei Dunworthy. ‘Wil je soms een nieuwe pandemie hebben?’

De jongen liet hem verward los en Dunworthy ging snel naar binnen.

Overal lagen patiënten op brancards, zelfs bij de lift. Een omvangrijke zuster in steriele kledij stond een van de zieken iets voor te lezen uit een in polytheen verpakt boek.

‘Welke onschuldige is verloren gegaan?’ zei ze. Hij hoorde tot zijn schrik dat het geen verpleegster was, maar mevrouw Gaddson. ‘En welke rechtvaardige is afgesneden?’ declameerde ze. Ze sloeg de dunne bladzijden van haar bijbel om, op zoek naar nog meer opwekkende passages. Dunworthy schoot een zijgang in en liep de trap op, ineens heel erg blij met zijn neusmasker.

‘De Here zal u met tering slaan,’ hoorde hij haar stem nagalmen, ‘en met koorts en met ontsteking.’

En Hij zal u slaan met mevrouw Gaddson, dacht hij. En Hij zal u uit de Schrift voorlezen om het moreel hoog te houden.

Hij kwam op de isolatie-afdeling, die zich blijkbaar over de hele verdieping had uitgebreid.

‘Ah, daar bent u.’ Het was dezelfde knappe leerling-verpleegkundige. Hij vroeg zich af of hij haar voor Gaddson moest waarschuwen. ‘Ik had de hoop al bijna opgegeven. Hij heeft de hele ochtend naar u gevraagd.’ Ze gaf hem een pakje steriele kleren. Hij trok ze aan en volgde haar naar binnen.

‘Een halfuur geleden was hij niet meer te houden,’ fluisterde ze. ‘Hij riep steeds maar dat hij u iets moest vertellen. Het gaat nu wat beter.’

Hij zag er zelfs aanzienlijk beter uit. Zijn gezicht was niet zo angstaanjagend rood meer en hoewel zijn bruine huid nog een bleke tint had, leek hij bijna weer op de oude Badri. Hij zat half overeind tegen een paar kussens, met zijn gekromde vingers op zijn opgetrokken knieën. Zijn ogen waren dicht.

‘Badri,’ zei de zuster. Ze legde een hand op zijn schouder en boog zich over hem heen. ‘Meneer Dunworthy is er.’

Hij deed zijn ogen open. ‘Dunworthy?’

‘Ja.’ Ze wees naar hem met haar kin. ‘Ik zei toch dat hij zou komen?’

Badri ging rechtop zitten, maar hij scheen Dunworthy niet te zien. Hij keek strak voor zich uit.

‘Ik ben hier, Badri.’ Dunworthy boog zich naar voren. ‘Wat wilde je me vertellen?’

Badri bleef recht voor zich uit kijken en zijn handen gingen rusteloos heen en weer over zijn knieën. Dunworthy keek naar de zuster.

‘Dat doet hij wel vaker,’ zei ze. ‘Ik geloof dat hij zit te typen.’ Ze wierp een blik op de monitoren en ging de kamer uit.

Hij zat te typen. Zijn polsen lagen op zijn knieën en zijn vingers roffelden razendsnel op de deken. Hij leek ergens naar te staren, misschien naar een beeldscherm, en zijn gezicht betrok. ‘Dat kan niet goed zijn,’ zei hij, en begon weer zo snel te typen.

‘Wat is er, Badri?’ zei Dunworthy.

‘Er moet een fout gemaakt zijn,’ zei Badri. Hij boog zijn hoofd iets opzij. ‘Laat me regel voor regel de TAA zien.’

Dunworthy begreep dat hij in de microfoon van de computer sprak. Hij is met de lokalisatie bezig, dacht hij. ‘Wat voor fout, Badri?’

‘Het tijdverschil,’ zei Badri, zijn blik strak op het denkbeeldige scherm gericht. ‘Controleer de display,’ zei hij in de microfoon. ‘Het kan gewoon niet kloppen.’

‘Wat is er met het tijdverschil?’ vroeg Dunworthy. ‘Is het groter dan je had verwacht?’

Badri gaf geen antwoord. Hij tikte iets in, keek naar het scherm en begon als een razende te typen.

‘Hoe groot was de verschuiving, Badri?’ zei Dunworthy.

Badri bleef een volle minuut bezig. Daarna keek hij naar Dunworthy. ‘Ik ben erg bang,’ zei hij peinzend.

‘Waar ben je bang voor, Badri?’

Plotseling gooide hij de deken van zich af en pakte de bedrand beet. ‘Ik moet meneer Dunworthy halen,’ zei hij. Hij rukte aan de tape waarmee de canule op zijn arm was bevestigd.