Выбрать главу

‘U bent niets anders dan een opgeblazen idioot die niets bij Middeleeuwen te zoeken heeft, laat staan dat u over Kivrins veiligheid kunt waken!’

‘Het lijkt me zinloos om deze discussie voort te zetten,’ zei Gilchrist. ‘Het lab staat onder quarantaine en dat blijft het zolang er geen identificatie is.’ Hij liep de wachtkamer uit.

Dunworthy ging achter hem aan en kwam bijna in botsing met Mary. Ze had steriele kleding aan en bestudeerde een kaart.

‘Weet je wat Gilchrist nu weer heeft gedaan?’ zei hij. ‘Een stel betogers heeft hem op het idee gebracht dat het virus door het net is gekomen en nu mag niemand het lab meer in.’

Ze gaf geen antwoord en keek hem zelfs niet aan.

‘Badri zei vanmorgen dat er iets niet klopte met de tijdverschuiving. Er is iets mis, zei hij telkens.’

Ze wierp hem een verstrooide blik toe en keek weer naar de kaart.

‘Ik heb iemand gevonden om de lokalisatie na te trekken, maar Gilchrist heeft de zaak op slot gedaan,’ zei hij. ‘Je moet met hem praten en hem aan zijn verstand brengen dat het virus uit South Carolina komt.’

‘Dat is niet zo.’

‘Hoezo, dat is niet zo? Is de uitslag binnen?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Het WIC heeft een laborante gevonden, maar die is er nog mee bezig. De eerste resultaten wijzen erop dat het niet het Amerikaanse virus is.’ Ze keek op. ‘En ik weet het wel zeker.’ Ze keek weer naar de kaart. ‘In Amerika is niemand overleden.’

‘Wat bedoel je? Is er iets met Badri?’

‘Nee.’ Ze drukte de kaart tegen haar borst. ‘Met Beverly Breen.’

Hij keek haar ontsteld aan. Hij had gedacht dat ze het over Latimer had.

‘De vrouw met de lila paraplu,’ zei ze boos. ‘Ze is net gestorven.’

AFSCHRIFT UIT HET DOMESDAY BOOK
(046381–054957)

22 december 1320 (Oude Stijl). Het gaat slechter met de knie van Agnes. Hij is rood en erg gevoelig, ze schreeuwt het gewoon uit als ik haar knie aanraak. Ze kan nauwelijks lopen. Ik weet niet wat ik moet beginnen. Vrouwe Imeyne zou het alleen maar erger maken met haar zalfjes en Eliwys is in gedachten verzonken en heeft andere dingen aan haar hoofd.

Gawyn is nog steeds niet terug. Hij had gistermiddag terug moeten zijn. Toen hij tegen de avond nog altijd niet was komen opdagen, zei Eliwys dat Imeyne hem naar Oxford had gestuurd.

‘Ik heb hem naar Courcy gestuurd, precies zoals ik je zei,’ antwoordde Imeyne verontwaardigd. ‘De regen zal hem hebben opgehouden.’

‘Dat kleine eindje naar Courcy?’ zei Eliwys boos. ‘Heb je hem geen opdracht gegeven een nieuwe kapelaan te halen?’

Imeyne rechtte haar schouders. ‘Vader Roche kan de kerstmis niet opdragen als heer Bloet en zijn gezelschap er zijn,’ zei ze. ‘Je wilt je toch niet te schande maken voor Rosemunds verloofde?’

Eliwys trok wit weg. ‘Waar heb je hem naartoe gestuurd?’

‘Ik heb hem een boodschap voor de bisschop meegegeven. Hij moet een andere kapelaan aanwijzen.’

‘Toch niet naar Bath?’ riep Eliwys uit. Ik dacht even dat ze Imeyne wilde slaan.

‘Nee, niet verder dan Cirencestre. De aartsdiaken zou gedurende de kerstdagen in het klooster verblijven. Ik heb Gawyn gevraagd naar hem toe te gaan en de boodschap door een van zijn knechten te laten overbrengen. Hoewel de zaken er in Bath toch niet zo slecht voorstaan dat Gawyn er niet zou kunnen komen, anders had mijn zoon het hem wel verboden.’

‘Uw zoon zal het niet prettig vinden dat wij hem ongehoorzaam zijn. Hij heeft ons en Gawyn gevraagd hier te blijven tot hij terugkwam.’

Ze klonk nog steeds woedend en ze balde haar hand alsof ze Imeyne een oorvijg wilde toedienen zoals ze bij Maisry pleegt te doen. Maar haar gezicht had weer kleur gekregen zodra Imeyne zei dat Gawyn naar Cirencestre was en ik denk dat ze zich enigszins opgelucht voelde.

De zaken konden er in Bath niet zo heel slecht voorstaan, volgens Imeyne, maar Eliwys was blijkbaar erg benauwd voor Gawyn. Is ze bang voor een valstrik of dat hij de vijanden van heer Guillaume naar Bath zou kunnen lokken? En gaat het daar toch zo slecht dat Guillaume zelf de stad niet uit kan?

Misschien is het alle drie waar. Eliwys is vanmorgen al vijf keer naar de deur gegaan om naar buiten te kijken en ze is al even humeurig als Rosemund was in het bos. Ze vroeg zojuist aan Imeyne of ze er zeker van was dat de aartsdiaken in Cirencestre verbleef. Ze is natuurlijk bang dat Gawyn anders toch zelf naar Bath gaat.

Ze steekt iedereen aan met haar zenuwen. Vrouwe Imeyne zit in een hoekje boven haar relikwie te bidden, Agnes dreint, en Rosemund zit maar naar haar borduurwerk te staren zonder een steek uit te voeren.

(Pauze)

Ik ben vanmiddag met Agnes naar Vader Roche gegaan. Haar knie zag er slecht uit. Ze kon helemaal niet lopen en ik zag een rode streep onder de huid erboven. Het is moeilijk te zien, want de hele knie is rood en opgezet, maar ik durfde niet langer te wachten.

Ze hadden in 1320 geen middel tegen bloedvergiftiging en het is mijn schuld dat de wond is ontstoken. Ze zou niet zijn gevallen als ik niet met alle geweld naar het rendez-vous had gewild. Ik weet wel dat mijn aanwezigheid volgens de paradoxen geen invloed kan hebben op wat er met de mensen gebeurt, maar daar durf ik niet op te vertrouwen. Ik had zelf immers ook niet ziek mogen worden.

Daarom wachtte ik tot Imeyne naar de bovenkamer was gegaan en droeg Agnes naar de kerk. Het stortregende, maar Agnes klaagde helemaal niet dat ze nat werd en dat maakte me nog angstiger dan die rode streep.

Het was donker en muf in de kerk. Ik hoorde de stem van Vader Roche, net alsof hij tegen iemand stond te praten. ‘Heer Guillaume is nog altijd niet terug uit Bath,’ zei hij. ‘Ik vrees voor zijn leven.’

Ik dacht dat Gawyn misschien was teruggekeerd en ik wilde horen wat ze over het proces zeiden, daarom bleef ik met Agnes in mijn armen staan luisteren.

‘Het regent al twee dagen,’ zei Roche, ‘en er staat een schrale westenwind. We hebben de schapen van de weide moeten halen.’

Mijn ogen wenden eindelijk aan het donker en ik kon hem zien. Hij zat op zijn knieën bij het koorhek, zijn grote handen in gebed samengevouwen.

‘Het kindje van de meier heeft een maagkoliek en kan zijn melk niet binnenhouden. Met boer Tabord gaat het slechter.’

Hij bad niet in het Latijn en hij klonk lang niet zo plechtstatig als de priester van de Heilige Hervormden of de dominee. Hij sprak zakelijk en nuchter, net zoals ik nu zelf klink.

De middeleeuwers beschouwden God als een levend wezen, bijna even tastbaar als de zichtbare wereld om hen heen. ‘Je gaat weer naar huis,’ zei Vader Roche tegen me toen ik doodging en zo dachten ze er werkelijk over. Het leven in dit lichaam is een onbelangrijke illusie, het echte leven behoort toe aan de onsterfelijke ziel. Dit aardse bestaan was niet meer dan een vluchtig bezoek, net zo vluchtig als mijn bezoek aan deze eeuw, maar veel heb ik van die opvatting nog niet gezien. Eliwys zegt plichtsgetrouw haar weesgegroetjes, maar daarna slaat ze het stof van haar knieën en houdt zich met haar dagelijkse beslommeringen bezig alsof haar gebeden geen enkele invloed hebben op wat er met haar gemaal en met de meisjes of Gawyn gebeurt. En Imeyne maakt zich met haar relikwie en haar getijdenboek alleen druk om haar aanzien. Dat God echt een rol in dit leven speelt heb ik daar pas in die vochtige kerk ervaren, toen ik Vader Roche hoorde bidden.

Ik vraag me af of hij God en de hemel net zo duidelijk voor zich ziet als ik u en Oxford, met de regen op de binnenplaats en uw brilleglazen die telkens beslaan, zodat u ze aan uw sjaal moet droogwrijven. Voor mij bent u ook heel dichtbij en tegelijkertijd onbereikbaar ver weg.