‘Behoed onze zielen en leidt ons veilig naar uw hemel,’ zei Roche. Alsof Agnes daarop had gewacht ging ze rechtop zitten en zei dat ze naar hem toe wilde.
Hij stond op en keek naar ons. ‘Wie is daar?’
‘Vrouwe Katherine,’ zei ik. ‘Ik heb Agnes bij me. Haar knie is…’ Ontstoken? ‘Ze heeft iets aan haar knie.’
Hij keek ernaar, maar het was te donker in de kerk en daarom droeg hij haar naar zijn huis. Veel lichter was het er niet. Zijn huis is nauwelijks groter dan de hut waarin ik heb geschuild en niet hoger. Hij moest de hele tijd gebukt blijven staan om zijn hoofd niet te stoten.
Hij maakte het luik voor het enige raam open, waardoor de regen naar binnen werd geblazen. Daarna stak hij een bieskaars aan en zette Agnes op een ruwe houten tafel. Ze deinsde terug toen hij het verband losmaakte.
‘Blijf maar stil zitten, Agnus,’ zei hij, ‘dan zal ik je vertellen hoe Christus uit de verre hemel op aarde is gekomen.’
‘Met Kerstmis,’ zei Agnes.
Roche betastte de gezwollen huid rond de wond en bleef de hele tijd tegen haar praten. ‘En de herders waren erg bang, want ze wisten niet waar dat stralende licht vandaan kwam. En ze hoorden een geluid als van hemelse bazuinen. Het was de engel Gods die tot hen was neergedaald.’
Agnes had gegild en mijn handen weggeduwd toen ik haar probeerde te onderzoeken, maar ze liet Roche met zijn dikke vingers zijn gang gaan. Ik zag nu duidelijk een rode streep lopen. Roche betastte hem voorzichtig en hield de kaars erbij.
‘En uit een ver land kwamen drie koningen met geschenken.’ Behoedzaam voelde hij weer aan haar knie en daarna vouwde hij zijn handen alsof hij wilde gaan bidden. Ik dacht nog, ga nou niet bidden, doe liever iets.
Hij liet zijn handen zakken en keek me aan. ‘Ik vrees dat de wond is vergiftigd,’ zei hij. ‘Ik zal een aftreksel van hyssop maken om het gif eruit te halen.’ Hij ging naar het vuur om de smeulende kooltjes op te stoken, pakte een emmer en schonk water in een ijzeren pot.
De emmer was vuil, de pot was vuil en zijn handen waren vuil. Ik stond naar hem te kijken terwijl hij de pot boven het vuur zette en iets uit een vuile zak haalde en het speet me dat ik naar hem toe was gegaan. Hij was niet beter dan Imeyne. Een aftreksel van bladeren of zaden zou net zomin iets tegen bloedvergiftiging uitrichten als Imeynes zalfjes en zijn gebeden zouden ook niet helpen, zelfs niet als hij met God sprak alsof het een gewoon mens betrof.
Ik had bijna gevraagd of hij niets beters wist, maar ik besefte dat dat onmogelijk was. Tegen een ontsteking helpen penicilline, afweerversterkers en ontsmettingsmiddelen, maar geen van die dingen had hij in zijn jutezak zitten.
Gilchrist heeft tijdens college wel eens iets over middeleeuwse dokters gezegd. Hij vond het maar kwakzalverij dat ze tijdens de Zwarte Dood aan aderlating deden en de zieken met arsenicum en urine van geiten behandelden, maar wat had hij anders verwacht? Ze hadden geen vaccins of antimicrobia bij de hand. Ze wisten niet eens wat de pest veroorzaakte. Vader Roche stond met zijn vieze vingers een paar gedroogde blaadjes fijn te wrijven, maar hij deed tenminste zijn best.
‘Heeft u wijn?’ vroeg ik. ‘Oude wijn?’
Hun gewone bier bevat bijna geen alcohol en in de wijn zit nauwelijks meer, maar het percentage gaat omhoog als het een tijdje heeft kunnen gisten en alcohol is een ontsmettingsmiddel.
‘Ik herinner me dat oude wijn soms helpt tegen een infectie.’
Hij vroeg niet wat een ‘infectie’ was of hoe het kwam dat ik me net dat kon herinneren en verder helemaal niets. Hij ging onmiddellijk naar de kerk en kwam terug met een aarden kruik vol sterk ruikende wijn. Ik maakte de doek ermee nat en waste de wond af.
Ik heb de kruik meegenomen en onder het bed in Rosemunds boudoir verstopt. Ik hoop maar niet dat het echte miswijn is, Imeyne zou zeggen dat Vader Roche een ketter was die op de brandstapel diende te eindigen. Nu kan ik de wond in elk geval schoonhouden. Ik heb Agnes’ knie nog een keer goed behandeld voordat ze naar bed ging.
19
Het regende tot de dag voor Kerstmis, een harde winterse regen die door het rookgat in het dak drong en het vuur deed sissen en walmen.
Kivrin goot zo vaak ze kon een scheut wijn op Agnes’ knie, die er op de middag van de drieëntwintigste wat beter uitzag. Hij was nog steeds gezwollen, maar de rode striem was verdwenen. Kivrin trok haar kap over haar hoofd en holde naar de kerk aan de overkant om het tegen Vader Roche te zeggen, maar die was er niet.
Noch Imeyne, noch Eliwys had gemerkt dat Agnes last van haar knie had. Ze waren zich druk aan het voorbereiden op de eventuele komst van heer Bloets familie. Ze maakten de bovenkamer schoon zodat de vrouwen daar konden slapen, strooiden rozeblaadjes op de matten in de hal en bakten een verbazingwekkend assortiment manchetbroden, puddingen en taarten, waarvan er een het Christuskind in de kribbe voorstelde, met deegringetjes als zwachtels.
’s Middags kwam Vader Roche naar het huis, doorweekt en rillend. Hij was in de ijskoude regen naar buiten gegaan om eiloof te halen voor in de hal. Imeyne was er niet — ze was in de keuken het kerstkind aan het bakken — en Kivrin liet hem binnen en hing zijn kleren te drogen bij het vuur.
Ze riep Maisry en toen die niet kwam opdagen ging ze over de binnenplaats naar de keuken om een kroes gloeiend eelbier voor hem te halen. Toen ze terugkwam zat Maisry naast Roche op de bank. Ze hield haar verwarde vuile haar tegen met haar hand en Roche smeerde ganzevet op haar oor. Zodra ze Kivrin zag sloeg ze haar hand over haar oor, waardoor ze vermoedelijk de hele behandeling bedierf, en maakte dat ze wegkwam.
‘Het gaat beter met Agnes’ knie,’ zei Kivrin tegen hem. ‘Hij is niet meer zo opgezet en er komt een nieuwe korst op.’
Het leek hem niet te verbazen en ze vroeg zich af of ze zich had vergist, of het helemaal geen bloedvergiftiging was geweest.
Tijdens de nacht ging de regen in sneeuw over. ‘Ze komen niet meer,’ zei vrouwe Eliwys de volgende ochtend. Ze klonk opgelucht.
Kivrin moest het beamen. Er was die nacht bijna dertig centimeter sneeuw gevallen en de bui hield nog steeds aan. Zelfs Imeyne leek zich erbij te hebben neergelegd, hoewel ze doorging met de voorbereidingen, tinnen borden uit de bovenkamer haalde en voortdurend om Maisry riep.
Aan het eind van de ochtend hield het plotseling op met sneeuwen en tegen twee uur begon het op te klaren. Eliwys gaf iedereen opdracht zijn goede kleren aan te trekken. Kivrin hielp de meisjes met aankleden en verbaasde zich over hun frivole onderhemden. Agnes droeg een donkerrode fluwelen tunica met een gesp van zilver en Rosemunds bladgroene gewaad had lange mouwen met een split erin en een laag uitgesneden lijfje waar de geborduurde rand van haar gele onderhemd bovenuit kwam. Niemand had Kivrin verteld wat zij moest aantrekken, maar nadat ze de vlechten uit het haar van de meisjes had gehaald zei Agnes: ‘Doe jij je blauwe kleed maar aan.’ Ze haalde haar gewaad uit de kist die aan het voeteneind van het bed stond. Het viel niet meer zo uit de toon bij de mooie kledij van de meisjes, maar het weefsel was toch nog te fijn en de kleur te blauw.
Ze wist niet wat ze met haar haren moest beginnen. Ongetrouwde meisjes hadden hun haar los bij feestelijke gelegenheden, met alleen een band of lint erin, maar daar was het te kort voor en alleen gehuwde vrouwen bedekten hun haar. Ze kon het niet gewoon zo laten, het ruw afgesneden haar zag er verschrikkelijk uit.
Eliwys was het blijkbaar met haar eens. Ze beet op haar lip toen Kivrin met de meisjes weer naar beneden kwam en stuurde Maisry naar de bovenkamer om een dunne, bijna doorzichtige sluier te halen. Die maakte ze midden op Kivrins hoofd vast aan haar haarband, zodat alleen de voorkant te zien was en de pieken van achteren verborgen bleven.