Met het betere weer leken ook Eliwys’ zenuwen te zijn teruggekeerd. Ze schrok op toen Maisry binnenkwam en viel tegen haar uit omdat ze moddervlekken op de vloer maakte. Er vielen haar ineens allerlei dingen in die nog niet klaar waren en niemand kon iets goed doen. Toen vrouwe Imeyne voor de tiende keer begon: ‘Als we naar Courcy waren gegaan…’ beet Eliwys bijkans haar hoofd eraf.
Kivrin had het een slecht idee gevonden Agnes aan te kleden voordat het echt nodig was en halverwege de middag waren de geborduurde mouwen van het kleine meisje vies en had ze meel over de helft van haar fluwelen rok geknoeid.
Laat in de middag was Gawyn nog niet terug, liep iedereen op zijn tenen van de spanning en had Maisry vuurrode oren. Kivrin moest van vrouwe Imeyne zes waskaarsen naar Vader Roche brengen en ze was dolblij dat ze met de meisjes naar buiten kon.
‘Zeg maar dat ze voor allebei de missen zijn,’ zei Imeyne prikkelbaar. ‘En wat een armzalige missen voor zo’n gelegenheid. We hadden naar Courcy moeten gaan.’
Kivrin liet Agnes haar mantel aantrekken en riep Rosemund, waarna ze naar de kerk ging. Roche was er niet. Midden op het altaar stond een grote gele kaars met strepen erop. Die zou hij bij zonsondergang aansteken om er het verstrijken van de uren tot middernacht mee bij te houden. Op zijn knieën in de ijskoude kerk.
Ook thuis was hij niet. Kivrin legde de kaarsen op tafel. Op de terugweg over de brink zagen ze zijn ezel bij de poort aan de sneeuw staan likken.
‘We zijn vergeten de dieren te voeren,’ zei Agnes.
‘De dieren voeren?’ vroeg Kivrin benauwd, want ze dacht aan hun kleren.
‘Het is kerstavond,’ zei Agnes. ‘Gaven jullie de dieren thuis niets?’
‘Dat weet ze niet meer,’ zei Rosemund. ‘Op kerstavond geven we de dieren te eten om te herdenken dat onze Heer in een stal is geboren.’
‘Weet je dan helemaal niets meer van Kerstmis?’ vroeg Agnes.
‘Een beetje,’ zei Kivrin. Ze dacht aan Oxford op kerstavond en aan de winkels in Carfax, versierd met namaakgroen en laserlicht, tjokvol met mensen die op het laatst nog inkopen wilden doen, aan de talloze fietsen in High Street en aan de toren van Magdalen die in de sneeuw nog net te zien was.
‘Eerst worden de klokken geluid, daarna is het eten en naar de mis en dan steken we het joelblok aan,’ zei Agnes.
‘Je haalt alles door elkaar,’ zei Rosemund. ‘Eerst steken we het joelblok aan en daarna gaan we naar de mis.’
‘Eerst worden de klokken geluid,’ zei Agnes met een boze blik, ‘en daarna komt de mis.’
Ze haalden een zak haver en wat hooi uit de schuur en gingen naar de stal om de paarden te voederen. Gringolet was er niet bij, wat betekende dat Gawyn nog steeds niet terug was. Ze moest hem spreken zodra hij kwam. Haar terugkeer moest binnen een week plaatsvinden, maar ze had nog geen idee waar het rendez-vous was. En als heer Guillaume kwam kon alles anders worden.
Eliwys wilde geen beslissing over haar nemen totdat haar gade terugkwam en die ochtend nog had ze tegen de meisjes herhaald dat ze hem vandaag verwachtte. Misschien besloot hij met Kivrin naar Oxford of Londen te gaan om haar familie te zoeken, of heer Bloet kon aanbieden haar mee terug te nemen naar Courcy. Ze moest hem heel gauw spreken. Als er gasten waren zou het veel gemakkelijker zijn hem terzijde te nemen en met alle drukte rond de kerst kon ze hem er misschien wel toe bewegen haar de plaats te wijzen.
Kivrin bleef zo lang mogelijk bij de paarden rondhangen in de hoop dat Gawyn terugkwam, maar Agnes kreeg er genoeg van en wilde de kippen gaan voeren. Kivrin stelde voor dat ze eerst naar de koe van de meier gingen.
‘Die is niet van ons,’ zei Rosemund fel.
‘Het dier heeft me geholpen toen ik ziek was,’ zei Kivrin. Ze herinnerde zich dat ze zich aan de magere rug van de koe had vastgeklampt toen ze naar de open plek had gezocht. ‘Ik wil haar bedanken voor haar vriendelijkheid.’
Ze kwamen langs het nu lege varkenskot. ‘Arme biggetjes,’ zei Agnes. ‘Ik zou ze een appel hebben gegeven.’
‘De lucht betrekt weer in het noorden,’ zei Rosemund. ‘Ik denk niet dat ze komen.’
‘O jawel,’ zei Agnes. ‘Heer Bloet heeft me een geschenk beloofd.’
De koe van de meier stond bijna op dezelfde plek waar Kivrin haar had gevonden, achter de op twee na laatste hut, knabbelend aan wat er van dezelfde zwart uitgeslagen scheuten over was.
‘Een goede Kerstmis, vrouwe Koe,’ zei Agnes. Ze nam een handje stro en hield dat op veilige afstand voor aan het beest.
‘Ze praten alleen om middernacht,’ zei Rosemund.
‘Ik zou graag om middernacht terugkomen, vrouwe Kivrin,’ zei Agnes. De koe stak haar nek uit. Agnes deinsde terug.
‘Dat kan niet, onnozele hals,’ zei Rosemund. ‘Dan zit je in de mis.’
De koe zette een van haar grote hoeven in beweging. Agnes week nog verder naar achteren. Kivrin gaf de koe een handvol stro.
Agnes keek afgunstig toe. ‘Als iedereen in de mis zit, hoe weten ze dan dat de dieren praten?’ zei ze.
Goede vraag, dacht Kivrin.
‘Vader Roche zegt dat het zo is,’ zei Rosemund.
Agnes kwam achter Kivrins rokken vandaan en pakte weer een handje stro. ‘Wat zeggen ze dan?’ Ze zwaaide met het stro in de richting van de koe.
‘Dat je niet weet hoe je ze moet voeren,’ zei Rosemund.
‘Niet waar,’ zei Agnes, haar hand uitstekend. De koe kwam op het hooi af, deed haar bek open en liet haar tanden zien. Agnes gooide het stro op de grond en verschool zich achter de rug van Kivrin. ‘Ze prijzen de gezegende Heer. Vader Roche zei het zelf.’
Er klonk hoefgetrappel. Agnes rende tussen de hutten door. ‘Ze zijn er!’ riep ze, terughollend. ‘Heer Bloet is er. Ik heb hem gezien. Ze rijden nu door de poort.’
Kivrin strooide de rest van het hooi vlug op de grond. Rosemund nam wat haver uit de zak en liet de koe uit haar hand eten.
‘Kom, Rosemund!’ zei Agnes. ‘Heer Bloet is er!’
Rosemund veegde de laatste korrels van haar hand. ‘Ik wil de ezel van Vader Roche voeren.’ Ze ging op weg naar de kerk zonder ook maar in de richting van het huis te kijken.
‘Maar ze zijn gekomen, Rosemund!’ riep Agnes, die achter haar aan holde. ‘Wil je niet weten wat ze hebben meegenomen?’
Blijkbaar niet. Rosemund bleef staan bij de ezel, die in de sneeuw naast de poort wat vossestaartgras had gevonden. Ze bukte en hield een handvol haver onder zijn neus, waar het beest niet de geringste belangstelling voor toonde. Ze bleef staan met een hand op de rug van het dier, haar gezicht verborgen achter haar lange donkere haar.
‘Rosemund!’ zei Agnes, haar gezicht rood van ergernis. ‘Heb je me niet gehoord? Ze zijn er!’
De ezel schoof de havervlokken met zijn neus opzij en zette zijn gele tanden in een graspol. Rosemund bleef proberen hem met de haver te lokken.
‘Rosemund,’ zei Kivrin, ‘ik zal de ezel wel voeren. Jij moet je gasten gaan begroeten.’
‘Heer Bloet zei dat hij iets voor me zou meebrengen,’ zei Agnes.
Rosemund maakte haar handen open en liet de haver vallen. ‘Als je hem zo graag mag, waarom vraag je vader dan niet of je met hem mag trouwen?’ zei ze, in de richting van het huis lopend.
‘Ik ben nog te klein,’ zei Agnes.
En Rosemund ook, dacht Kivrin. Ze nam Agnes bij de hand en ging achter het meisje aan. Rosemund liep snel door, met haar neus in de lucht en zonder acht te slaan op haar rokken die door de sneeuw sleepten of op Agnes’ herhaalde smeekbede om te wachten.
Het gezelschap had de binnenplaats bereikt en Rosemund was al bij het varkenskot. Kivrin begon te hollen, Agnes met zich meesleurend, en ze kwamen tegelijkertijd op de binnenplaats. Kivrin bleef verrast staan.
Ze had een hoffelijke begroeting verwacht, met plechtige toespraken en beleefde buigingen van de familie in de deuropening, maar dit was net de opening van een nieuw studiejaar: iedereen liep met kisten en bagage te zeulen, mensen vielen elkaar roepend en lachend om de hals en praatten door elkaar heen. Ze hadden Rosemund niet eens gemist. Een grote vrouw met een reusachtige stijve haarkap tilde Agnes van de grond en kuste haar, terwijl drie jonge meisjes verrukt rond Rosemund dansten.