In hun beste kledij uitgedoste dienstknechten droegen afgedekte manden en een enorme gans naar de keuken en brachten de paarden naar de stal. Gawyn zat nog steeds op Gringolet en boog zich naar voren om iets tegen Imeyne te zeggen. ‘Nee, de bisschop is in Wiveliscombe,’ hoorde Kivrin hem zeggen. Imeyne zag er echter niet ontevreden uit, dus waarschijnlijk had hij de boodschap aan de aartsdiaken overgebracht.
Ze draaide zich om naar een jonge vrouw in een mantel die nog feller blauw was dan Kivrins kleed. Ze hielp de vrouw uit het zadel en bracht haar glimlachend naar Eliwys. Ook Eliwys glimlachte.
Kivrin probeerde te ontdekken wie heer Bloet was, maar de vijf of zes bereden mannen droegen allemaal bontmantels en het tuig van hun paarden was met zilver beslagen. Gelukkig zag geen van hen er haveloos uit en een paar waren zelfs heel presentabel. Ze wilde aan Agnes vragen wie heer Bloet was, maar het meisje was nog in de greep van de stijve haarkap. ‘Wat ben je groot geworden! Ik ken je nauwelijks terug,’ zei de vrouw, Agnes op haar hoofd kloppend. Kivrin onderdrukte een glimlach. Sommige dingen veranderden echt nooit.
Verschillende nieuwkomers hadden rood haar, onder wie een vrouw die ongeveer even oud als Imeyne leek te zijn. Toch droeg ze haar vaalrosse haar los, alsof ze een jong meisje was. Ze had een ontevreden pruilmondje en was zichtbaar ontstemd over de manier waarop de bedienden met haar spullen omgingen. Ze pakte een overvolle mand uit de handen van een knullige knecht en gaf hem aan een dikke man in een groenfluwelen tuniek.
Ook de dikke man had rood haar, net als de aardigst uitziende van de jongere mannen. Deze liep tegen de dertig, maar had een rond en openhartig gezicht met sproeten en in elk geval een prettig voorkomen.
‘Heer Bloet!’ riep Agnes, die langs Kivrin schoot en zich tegen de knieën van de dikke man aan drukte.
Nee toch, dacht Kivrin. Ze was ervan uitgegaan dat de dikkerd getrouwd was met de rossige feeks of met de vrouw met de stijve haarkap. Hij was een jaar of vijftig oud en woog minstens honderdtwintig kilo. Hij lachte met grote bruine tanden naar Agnes.
‘Heeft u niets voor me meegebracht?’ vroeg Agnes, aan de zoom van zijn tuniek trekkend.
‘Jazeker wel,’ zei hij, met een blik op Rosemund die nog met de andere meisjes stond te praten, ‘voor jou en voor je zuster.’
‘Ik zal haar halen,’ zei Agnes en holde naar Rosemund voordat Kivrin haar kon tegenhouden. Bloet waggelde achter haar aan. De meisjes gingen giechelend uit elkaar toen hij dichterbij kwam. Rosemund wierp een blik vol moordlust naar Agnes, waarna ze glimlachend een hand naar hem uitstak.
‘Gegroet en welkom, heer,’ zei ze.
Ze hield haar kin zo hoog mogelijk in de lucht en op haar bleke wangen zaten twee koortsige rode vlekken, maar Bloet vatte die blijkbaar op als tekenen van verlegenheid en opwinding. Hij nam haar kleine vingers in zijn vlezige hand. ‘In het voorjaar zul je je gemaal toch niet zo vormelijk ontvangen?’ zei hij.
De vlekken werden roder. ‘Het is nog winter, heer.’
‘Maar niet lang meer,’ zei hij en lachte zijn bruine tanden bloot.
‘Waar is mijn geschenk?’ vroeg Agnes fel.
‘Agnes, niet zo inhalig,’ zei Eliwys, die tussen haar dochters in ging staan. ‘Het is onbehoorlijk om een gast om geschenken te vragen.’ Ze keek hem glimlachend aan en er was niets te merken van eventuele afkeer jegens dit huwelijk. Zo ontspannen had Kivrin haar nog niet meegemaakt.
‘Ik heb mijn schoonzuster een kleinigheid beloofd,’ zei hij, een klein zakje onder zijn strak aangetrokken riem vandaan halend, ‘en mijn aanstaande een bruidsgeschenk.’ Hij maakte het zakje open en haalde er een met edelstenen bezette broche uit. ‘Een liefdeknoop voor mijn bruid,’ zei hij, de gesp openmakend. ‘Denk aan mij als je hem draagt.’
Puffend deed hij een stap naar voren om de broche op haar mantel te spelden. Ik hoop dat hij een hartaanval krijgt, dacht Kivrin. Rosemund bleef met haar vuurrode wangen stokstijf staan terwijl hij met zijn vette handen aan haar hals friemelde.
‘Robijnen,’ zei Eliwys opgetogen. ‘Zou je je aanstaande niet bedanken voor zijn heerlijke geschenk, Rosemund?’
‘Ik dank u voor de broche,’ zei Rosemund vlak.
‘Waar is mijn geschenk nou?’ zei Agnes, van de ene voet op de andere dansend. Hij zocht weer in het zakje en haalde er met gesloten vuist iets uit. Hijgend boog hij zich naar het meisje toe en deed zijn hand open.
‘Het is een bel!’ zei Agnes verrukt. Ze pakte het ding aan en schudde het heen en weer. Het was een ronde koperen bel, als van een paard, met een metalen oog erbovenop.
Agnes zeurde net zo lang tot Kivrin haar meenam naar haar kamer om een lint te halen dat ze aan het oog van de bel wilde binden, zodat ze hem als een soort armband aan haar pols kon dragen. ‘Mijn vader heeft dit lint meegebracht van de jaarmarkt,’ zei Agnes, de kist sluitend waarin Kivrins kleren waren bewaard. De stof was vlekkerig en zo stijf dat Kivrin het lint maar met moeite door het oog kon halen. Zelfs de papieren linten waarmee in haar eigen tijd kerstcadeautjes werden ingepakt waren beter dan dit ding, dat Agnes blijkbaar als een schat bewaarde.
Kivrin maakte de bel aan Agnes’ pols vast en ze gingen weer naar beneden. De drukte had zich naar binnen verplaatst, waar de bedienden bezig waren kisten, slaapmatten en de voorlopers van weekendtassen naar de hal te brengen. Kivrin had zich geen zorgen hoeven te maken over heer Bloet en aanhang. Zo te zien zouden ze hier de hele winter blijven.
Ook over haar eigen lot had ze niet hoeven in te zitten. Niemand keurde haar ook maar een blik waardig, zelfs toen Agnes erop stond haar armband aan haar moeder te laten zien. Eliwys was druk in gesprek met Bloet, Gawyn en de aardig uitziende jongeman, die een zoon of een neef moest zijn. Eliwys zat weer met haar handen te wringen. Ze had zeker slecht nieuws uit Bath gekregen.
Vrouwe Imeyne zat bij de muur te praten met de kloeke vrouw en een bleke man die als een geestelijke was gekleed. De uitdrukking op haar gezicht verried dat ze zich beklaagde over Vader Roche.
Kivrin maakte van het lawaai en de verwarring gebruik om Rosemund bij de andere meisjes weg te halen en haar te vragen wie iedereen was. De bleke man was de huiskapelaan van heer Bloet, zoals ze al had verondersteld. De vrouw met de felblauwe mantel was zijn aangenomen dochter. De forse vrouw met de gesteven haarkap was de gemalin van Bloets broer en was uit Dorset gekomen om bij hem te logeren. De twee roodharige jongemannen en de giechelende meisjes waren allemaal kinderen van haar. Heer Bloet had zelf geen kinderen.
Dat was natuurlijk de reden waarom hij een kind huwde, blijkbaar met ieders instemming. In 1320 was de voortzetting van het geslacht de voornaamste levenstaak. Hoe jonger de vrouw, hoe meer kans er was op mannelijke kinderen die volwassen werden, ook al overleefde de moeder dit zelf niet.
De feeks met het vaalrode haar was, o schrik, vrouwe Yvolde, zijn ongehuwde zuster. Ze woonde bij hem in Courcy en Kivrin zag dat ze een stel sleutels aan haar gordel droeg toen ze tegen Maisry uitvoer omdat het arme kind een mand liet vallen. Dat betekende dat zij de baas in huis was, althans tot Pasen. Die arme Rosemund had geen schijn van kans.
‘Wie zijn al die anderen?’ vroeg Kivrin, in de hoop dat er minstens één bondgenoot van Rosemund bij zou zijn.
‘Bedienden,’ zei Rosemund, alsof dat vanzelfsprekend was, en ze holde terug naar de meisjes.
Er waren er zeker twintig, nog afgezien van de stalknechten die bezig waren met de paarden. Niemand, zelfs de zenuwachtige Eliwys niet, leek zich over hun aantal te verbazen. Ze had gelezen dat de adel tientallen knechten in dienst had, maar dat had ze nooit geloofd. Eliwys en Imeyne hadden nauwelijks bedienden en moesten bijna het hele dorp in de arm nemen om op tijd klaar te zijn voor het kerstfeest. Kivrin wist dat de familie in kommervolle omstandigheden leefde, maar ze had ook gedacht dat het aantal knechten van de landadel overdreven was. Dat was kennelijk niet het geval.