De bedienden liepen heen en weer om het avondmaal op te dienen. Kivrin had gedacht dat er op kerstavond werd gevast, maar nadat de bleke geestelijke in opdracht van vrouwe Imeyne de vesper had gelezen kwam de kudde knechten de hal binnen met brood, waterige wijn en in soda geweekte en daarna geroosterde kabeljauw.
Agnes was zo opgewonden dat ze geen hap door haar keel kreeg en nadat er was afgeruimd wilde ze niet rustig bij de haard komen zitten, maar rende door de zaal om met haar bel te rinkelen en achter de honden aan te zitten.
De knechten van heer Bloet en de meier brachten het joelblok binnen en legden het in het haardvuur, waardoor een regen van vonken opspatte. De vrouwen deinsden lachend terug en de kinderen gilden het opgetogen uit. Rosemund was het oudste kind en mocht het blok verder aansteken met een spaander die van het joelblok van het jaar daarvoor was overgebleven. Ze hield de vlam voorzichtig bij het uiteinde van een kromme wortel. Er werd gelachen en geklapt toen het hout vlam vatte en Agnes zwaaide wild met haar arm om de bel te laten rinkelen.
Rosemund had eerder verteld dat de kinderen mochten opblijven voor de nachtmis, maar Kivrin hoopte dat ze in elk geval Agnes zover kon krijgen dat ze een tijdje naast haar op de bank ging slapen. Maar Agnes werd met het verstrijken van de uren alleen maar wilder, schreeuwend en rinkelend tot Kivrin zich genoodzaakt zag haar bel af te nemen.
De vrouwen zaten rustig bij het vuur te praten. De mannen stonden her en der in groepjes, de armen over elkaar geslagen. Af en toe gingen ze allemaal, behalve de kapelaan, naar buiten. Bij hun terugkeer stampten ze lachend de sneeuw van hun schoenen en aan hun rode gezichten en Imeynes afkeurende blik was te zien dat ze naar het bierhuis waren geweest en de regels van het vasten hadden overtreden.
Nadat ze voor de derde keer buiten waren geweest ging Bloet voor de haard zitten, strekte zijn voeten uit naar het vuur en keek naar de meisjes. De drie giechelende kinderen en Rosemund speelden blindemannetje. Toen Rosemund met de blinddoek voor bij de banken kwam trok Bloet haar op zijn schoot. Iedereen lachte.
Imeyne bleef de lange avond bij de kapelaan zitten om haar grieven over Vader Roche te spuien. Hij was een onbenul en een knoeier, die zondag tijdens de mis het confiteor voor het adjutorum had gezegd. En hij zat nu op zijn knieën in de ijskoude kerk, dacht Kivrin, terwijl de kapelaan zijn handen warmde aan het vuur en afkeurend zijn hoofd schudde.
In de haard waren alleen nog gloeiende spaanders overgebleven. Rosemund liet zich van Bloets knieën glijden en ging terug naar haar vriendinnen. Gawyn verhaalde van zijn avontuur met de zes wolven zonder zijn blik van Eliwys af te houden. De kapelaan vertelde over een vrouw die op haar sterfbed een valse biecht had afgelegd. Toen hij haar voorhoofd met het Heilig Oliesel wilde bestrijken was haar huid voor zijn ogen zwart geblakerd.
Midden in het verhaal van de kapelaan stond Gawyn op, wreef zijn handen boven het vuur en ging naar het bedelaarsbankje. Hij ging zitten en begon zijn laarzen uit te trekken.
Even later stond Eliwys op om zich bij hem te voegen. Kivrin kon niet verstaan wat ze tegen hem zei, maar hij ging staan, met een laars in zijn hand.
‘Het geding is weer uitgesteld,’ hoorde ze Gawyn zeggen. ‘De rechter is ziek geworden.’
Het antwoord van Eliwys was onverstaanbaar, maar Gawyn knikte en zei: ‘Dat is goed nieuws. De nieuwe rechter komt van Swindone en is koning Edward minder gunstig gezind.’ Toch keken ze niet alsof ze het goed nieuws vonden. Eliwys zag bijna net zo bleek als toen Imeyne vertelde dat ze Gawyn naar Courcy had gestuurd.
Eliwys speelde met haar zware ring. Gawyn ging zitten, veegde het stro van zijn broek en trok de laars weer aan. Daarna keek hij op en zei iets. Eliwys draaide haar hoofd om en Kivrin kon haar gezicht in het halfdonker niet zien, maar ze zag wel het gezicht van Gawyn.
Net als alle anderen hier, dacht Kivrin. Ze keek snel om zich heen om te zien of anderen op het tweetal letten. Imeyne zat zich nog steeds te beklagen tegenover de kapelaan, maar de zuster van heer Bloet keek met afkeurend samengeknepen lippen toe, net als Bloet en de rest van de mannen aan de andere kant van de haard.
Kivrin had gehoopt dat ze Gawyn in de loop van de avond kon spreken, maar dat was in dit gezelschap niet mogelijk. Er klonk een bel en Eliwys keek geschrokken naar de deur.
‘Dat zijn de doodsklokken,’ zei de kapelaan zacht. Zelfs de kinderen staakten hun spel om te luisteren.
In sommige dorpen werden de klokken geluid voor elk jaar sinds de geboorte van Christus. Meestal waren ze alleen in het uur voor middernacht te horen en Kivrin betwijfelde of Roche en zelfs de kapelaan in staat was dat aantal jaren te tellen, maar ze begon de slagen toch bij te houden.
Drie bedienden brachten andere houtblokken voor de haard. Het vuur laaide fel op en wierp enorme, grillige schaduwen op de muren. Agnes sprong op en wees naar een van de neven van heer Bloet, die met zijn handen een konijn op de muur liet verschijnen.
Latimer had verteld dat de middeleeuwers de toekomst voorspelden uit de schaduwen die het joelblok wierp. Ze vroeg zich af wat de toekomst in petto had voor alle aanwezigen, die net als heer Guillaume in gevaar verkeerden.
De koning had de landgoederen en andere bezittingen van veroordeelden in beslag laten nemen. Misschien werden ze gedwongen uit te wijken naar Frankrijk of zich aan de genade van heer Bloet over te leveren en het gevit van de vrouw van de meier te verdragen.
Of misschien kwam heer Guillaume vanavond thuis met goed nieuws en een valk voor Agnes en zouden ze allemaal nog lang en gelukkig leven. Behalve Eliwys. En Rosemund, wat zou er van haar worden?
Het is al beslist, dacht Kivrin peinzend. Het oordeel is al geveld, heer Guillaume is thuisgekomen en hij heeft ontdekt wat er tussen Gawyn en Eliwys speelt. Rosemund is al vergeven aan heer Bloet. En Agnes is al groot geworden, getrouwd en in het kraambed gestorven, of anders wel aan bloedvergiftiging, cholera of longontsteking.
Ze zijn allemaal gestorven, dacht ze, zonder dat ze het kon geloven. Ze zijn allemaal al meer dan zevenhonderd jaar dood.
‘Kijk!’ riep Agnes. ‘Rosemund heeft geen hoofd meer!’ Ze wees naar de vreemde schaduwen die het opflakkerende vuur op de muur wierp. Het silhouet van Rosemund was duidelijk te zien, uitgerekt en zonder hoofd.
Een van de roodharige jongens rende naar Agnes toe. ‘Ik heb ook geen hoofd!’ zei hij, op zijn tenen dansend om de schaduw van vorm te laten veranderen.
‘Je hebt geen hoofd, Rosemund!’ riep Agnes vrolijk. ‘Je zult sterven voordat het jaar om is.’
‘Zeg dat toch niet,’ zei Eliwys, die opstond. Iedereen keek.
‘Kivrin heeft wel een hoofd,’ zei Agnes. ‘Ik heb mijn hoofd nog, alleen arme Rosemund niet.’
Eliwys pakte Agnes bij haar armen. ‘Dat zijn maar dwaze spelletjes,’ zei ze. ‘Je moet zulke dingen niet zeggen.’
‘Maar de schaduw,’ begon Agnes, met een gezicht dat op huilen stond.
‘Ga maar bij vrouwe Katherine zitten en houd je mond,’ zei Eliwys. Ze bracht het kind naar Kivrin en duwde haar op de bank. ‘Je bent veel te wild.’
Agnes bleef dicht bij Kivrin zitten, zonder te weten of ze zou gaan huilen of niet. Kivrin was de tel kwijt, maar ze ging gewoon verder. Zesenveertig, zevenenveertig.
‘Ik wil mijn bel terug,’ zei Agnes, van de bank klimmend.
‘Nee, we moeten stil blijven zitten.’ Kivrin nam haar op schoot.
‘Vertel eens over Kerstmis.’