Выбрать главу

‘Dat kan ik niet, Agnes. Ik weet er niets meer van.’

‘Is er dan helemaal niets meer wat je me kunt vertellen?’

Ik weet het nog heel goed, dacht Kivrin. De winkels zijn helemaal versierd met linten van satijn en fluweel, rood en goudgeel en blauw, nog feller dan mijn in wede geverfde kleed, en overal branden lichtjes en is muziek te horen. De klokken van Magdalen en de kerstliedjes.

Ze dacht aan het carillon van Carfax met zijn digitale klanken en aan de afgezaagde deuntjes in de winkels in High Street. Die liedjes zijn nog niet eens geschreven, dacht Kivrin, plotseling overspoeld door heimwee.

‘Ik wil met mijn bel spelen,’ zei Agnes, die probeerde zich los te maken. ‘Geef hem terug.’ Ze stak haar hand uit.

‘Ik geef hem terug als je hier op de bank komt liggen,’ zei Kivrin.

Het meisje begon weer te pruilen. ‘Moet ik echt slapen?’

‘Nee, ik zal je een verhaaltje vertellen,’ zei Kivrin. Ze maakte de bel los van haar pols, waar ze hem zolang had gehouden. ‘Er was eens,’ begon ze, maar ze hield op toen ze zich afvroeg of sprookjes in 1320 ook al zo waren begonnen en welke verhalen de middeleeuwers eigenlijk aan hun kinderen vertelden. Vermoedelijk verhalen over wolven en over heksen die een zwartgeblakerde huid kregen als ze met het Heilig Oliesel in aanraking kwamen.

‘Er was eens een maagd,’ zei Kivrin, terwijl ze de bel om de pols van het kind bond. Het rode lint begon al te rafelen en zou niet vaak meer gebruikt kunnen worden. Ze boog zich eroverheen. ‘Die maagd woonde…’

‘Is dit die maagd?’ klonk een stem.

Kivrin keek op. Ze zag Yvolde, de zuster van Bloet, met Imeyne vlak achter haar. De vrouw staarde met afkeurend samengeperste lippen naar haar en schudde haar hoofd.

‘Nee, dat is niet de dochter van Uluric,’ zei ze. ‘Die maagd was klein en donker.’

‘En het pleegkind van Ferrer?’ vroeg Imeyne.

‘Die is dood,’ zei Yvolde. ‘Weet je helemaal niet meer vanwaar je stamt?’ vroeg ze aan Kivrin.

‘Nee, edele vrouwe,’ zei Kivrin, die er te laat aan dacht dat ze haar blik nederig op de grond gericht moest houden.

‘Ze heeft een klap op haar hoofd gekregen,’ zei Agnes behulpzaam.

‘Toch weet je hoe je heet en je kunt je woordje doen. Ben je van goeden huize?’

‘Ik herinner mij niets van mijn familie, edele vrouwe,’ zei Kivrin, zo bescheiden mogelijk.

Yvolde snoof. ‘Ze klinkt alsof ze uit het westen komt. Heb je iemand naar Bath gestuurd?’

‘Nee,’ zei Imeyne. ‘De vrouw van mijn zoon zou zijn komst afwachten. Is er geen nieuws uit Oxenford?’

‘Nee, maar daar heerst ziekte,’ zei Yvolde.

Rosemund voegde zich bij hen. ‘Vrouwe Yvolde, kent u de familie van vrouwe Katherine?’ vroeg ze.

Yvolde wierp haar een verontwaardigde blik toe. ‘Nee. Waar is de broche die mijn broer je heeft gegeven?’

‘Ik eh… die zit op mijn mantel,’ stamelde Rosemund.

‘De geschenken van mijn broer zijn dus niet eens de moeite waard om te dragen?’

‘Ga hem halen,’ zei vrouwe Imeyne. ‘Ik wil die broche wel eens zien.’

Rosemund stak haar kin in de lucht, maar ze liep naar de muur waar de mantels waren opgehangen.

‘Ze toont al even weinig eerbied voor de geschenken van mijn broer als voor zijn aanwezigheid,’ zei Yvolde. ‘Ze heeft tijdens de maaltijd geen woord tegen hem gezegd.’

Rosemund kwam terug met de broche op haar groene mantel. Zwijgend liet ze hem aan Imeyne zien. ‘Ik wil hem ook zien,’ zei Agnes. Rosemund liet de mantel zakken.

De broche bestond uit een ronde gouden ring met rode edelstenen en in het midden een speld zonder scharnier waarmee hij aan een kleed kon worden bevestigd. In de ring was een inscriptie gegraveerd: ‘Io suiicien lui dami amo.’

‘Wat staat daar?’ zei Agnes, naar de letters in het goud wijzend.

‘Ik weet het niet,’ zei Rosemund, op een toon die duidelijk maakte dat het haar ook niets kon schelen.

Yvolde verstrakte en Kivrin zei haastig: ‘Er staat “In plaats van degene die ik liefheb”, Agnes,’ tot ze met een wee gevoel besefte wat ze had gedaan. Ze keek naar Imeyne, maar die leek niets gemerkt te hebben.

‘Zulke woorden horen om je hals, niet aan de muur,’ zei Imeyne. Ze pakte de broche en speldde hem op het kleed van Rosemund.

‘En je hoort aan de zijde van mijn broer te zijn, zoals het een aanstaande betaamt,’ zei Yvolde, ‘in plaats van kinderspelletjes te spelen.’ Ze gebaarde naar Bloet, die door het warme vuur en de uitstapjes naar de bierkelder bijna in slaap was gevallen. Rosemund keek smekend naar Kivrin.

‘Ga heer Bloet bedanken voor zijn genereuze geschenk,’ zei Imeyne kil.

Rosemund gaf haar mantel aan Kivrin en ging naar de haard.

‘Kom, Agnes,’ zei Kivrin. ‘Je moet rusten.’

‘Ik wil de doodsklokken horen,’ zei Agnes.

‘Vrouwe Katherine,’ zei Yvolde, met een vreemde nadruk op het eerste woord, ‘u zei dat u zich niets herinnerde. Maar u kon zonder moeite lezen wat er op de ring stond. U kunt dus lezen?’

Ik kan lezen, dacht Kivrin, maar heel wat minder dan de middeleeuwse vrouwen.

Ze wierp een blik op Imeyne, die haar net zo aankeek als de eerste ochtend toen ze aan haar kleren had gevoeld en haar handen had geïnspecteerd.

‘Nee,’ zei Kivrin, Yvolde recht in de ogen kijkend. ‘Ik kan zelfs het onzevader niet lezen. Uw broer vertelde wat er stond toen hij Rosemund de broche gaf.’

‘Nietes,’ zei Agnes.

‘Jij was met je bel bezig,’ zei Kivrin. Yvolde gelooft het nooit, dacht ze, ze zal het hem vragen en hij zal zeggen dat hij geen woord met me heeft gewisseld.

Maar Yvolde leek er genoegen mee te nemen. ‘Ik had ook niet gedacht dat zo iemand als zij zou kunnen lezen,’ zei ze tegen Imeyne. Ze gaf de oude dame een arm en ze gingen terug naar heer Bloet.

Kivrin liet zich op de bank zakken.

‘Ik wil mijn bel terug,’ zei Agnes.

‘Je krijgt hem pas als je gaat liggen.’

Agnes kroop bij haar op schoot. ‘Eerst het verhaaltje afmaken. Er was eens een maagd.’

‘Er was eens een maagd,’ zei Kivrin. Ze keek naar Imeyne en Yvolde, die naast heer Bloet waren gaan zitten en met Rosemund in gesprek waren. Het meisje zei iets met opgeheven kin en rode wangen. Heer Bloet lachte. Zijn hand sloot zich rond de broche en gleed over Rosemunds kleine borsten.

‘Er was eens een maagd!’ herhaalde Agnes fel.

‘…die aan de rand van een groot woud woonde,’ zei Kivrin. “‘Ga niet alleen het bos in”, had haar vader gezegd…’

‘Maar ze wilde niet luisteren,’ zei Agnes geeuwend.

‘Nee, ze wilde niet luisteren. Haar vader hield van haar en wilde niet dat haar iets zou overkomen, maar toch luisterde ze niet naar hem.’

‘Wat was er in het woud?’ vroeg Agnes, die zich tegen Kivrin aanvlijde.

Kivrin trok Rosemunds mantel over het meisje heen. Moordenaars en rovers, dacht ze. En geile oude mannen en hun geslepen zusters. En hoofse minnaars, echtgenoten en rechters. ‘Allemaal gevaarlijke dingen.’

‘Wolven,’ zei Agnes slaperig.

‘Ja, wolven.’ Ze keek naar Imeyne en Yvolde, die waren opgestaan en blikken in haar richting wierpen terwijl ze samen stonden te fluisteren.

‘Wat gebeurde er met haar?’ De ogen van het kind vielen dicht.

Kivrin wiegde haar in haar armen. ‘Ik weet het niet,’ fluisterde ze. ‘Ik weet het niet.’

20

Agnes kon niet meer dan vijf minuten hebben geslapen toen de klok even zweeg en daarna sneller begon te luiden voor de mis.

‘Vader Roche begint te vroeg, het is nog geen middernacht,’ zei vrouwe Imeyne. Ze had het nog niet gezegd of de andere klokken lieten zich horen: die van Wychlade en Bureford en, zo ver naar het oosten dat ze nauwelijks te onderscheiden waren, die van Oxford.