Выбрать главу

Dat zijn de klokken van Osney en dat is Carfax, dacht Kivrin. Ze vroeg zich af of die in haar eigen tijd nu ook te horen waren.

Heer Bloet hees zich overeind en hielp zijn zuster met opstaan. Een van hun bedienden kwam snel aanlopen om hun mantels aan te geven, waarvan er een met eekhoornbont was gevoerd. De meisjes pakten luid kletsend hun eigen mantels. Vrouwe Imeyne schudde Maisry wakker, die op het bedelbankje in slaap was gevallen, en stuurde haar naar de bovenkamer om haar getijdenboek te halen. Maisry klom geeuwend over de trapleer naar boven. Rosemund kwam naar Kivrin toe en pakte overdreven voorzichtig haar mantel, die van Agnes’ schouders was gegleden.

Agnes sliep als een roos. Kivrin vond het vervelend haar te moeten wekken, maar zelfs uitgeputte kinderen van vijf werden geacht bij deze mis aanwezig te zijn. ‘Agnes,’ zei ze zachtjes.

‘Je moet haar naar de kerk dragen,’ zei Rosemund, die de gouden broche van heer Bloet probeerde op te spelden. De jongste zoon van de meier kwam Kivrin haar witte mantel brengen, waarvan hij de zoom over de grond liet slepen.

‘Agnes,’ herhaalde Kivrin. Ze duwde licht tegen de schouder van het kind, verbaasd dat het niet door het klokgelui was gewekt. Het klonk veel harder en dichterbij dan voor de metten of de vespers en de overtonen overstemden bijna alle andere klokken.

Agnes deed abrupt haar ogen open. ‘Je hebt me niet gewekt,’ zei ze suffig tegen Rosemund. ‘Je had het beloofd,’ voegde ze eraan toe toen ze helemaal wakker was.

‘Doe je mantel aan,’ zei Kivrin. ‘We moeten naar de kerk.’

‘Ik wil mijn bel hebben, Kivrin.’

‘Hij hangt al aan je pols,’ zei Kivrin. Behoedzaam maakte ze de rode mantel van Agnes vast om haar niet te prikken met de naald van de gesp.

‘Nee, ik zie hem niet,’ zei Agnes, naar haar arm kijkend. ‘Ik wil hem hebben!’

‘Hier is hij.’ Rosemund raapte de bel op van de vloer. ‘Hij is zeker van je pols gegleden. Maar je kunt hem nu niet meenemen, we moeten naar de mis. Daarna worden de klokken voor het feest geluid.’

‘Ik zal er niet mee spelen,’ zei Agnes. ‘Ik wil hem alleen maar bij me hebben.’

Kivrin geloofde er geen woord van, maar de anderen waren klaar om te gaan. Een van heer Bloets bedienden stak de hoornlantarens aan met een takje uit het vuur en deelde ze uit. Kivrin bond het belletje snel om Agnes’ pols en nam de meisjes bij de hand.

Vrouwe Eliwys legde haar hand op de uitgestrekte arm van heer Bloet. Imeyne beduidde Kivrin en de kinderen aan te sluiten, waarna ze zelf met de zuster van heer Bloet en de rest van diens entourage de staart van de processie vormde. Vrouwe Eliwys en heer Bloet liepen de voorhof over naar de poort en kwamen op het veld.

Het sneeuwde niet meer en het was opgeklaard. Het dorp lag stil onder de sterren. Bevroren in de tijd, dacht Kivrin. De armoedige hutjes en wankele hekjes zagen er anders uit, zachter en sierlijker in de sneeuw. De witte vlokken fonkelden als kristal in het licht van de lantarens en Kivrin keek ademloos naar de sterren, honderden en duizenden sterren als gloeiende diamanten aan de hemel. ‘Hij glinstert,’ zei Agnes, en Kivrin wist niet of ze de sneeuw of de hemel bedoelde.

De klok sloeg rustig en gelijkmatig, met een andere klank in de ijzige lucht; niet luider, maar voller van toon en duidelijker. Kivrin herkende nu alle andere kerkklokken, van Esthcote, Witenie en Chertelintone, hoewel ook die een andere klank hadden. Ze probeerde Swindone te horen, maar daar was de klok opgehouden, net als in Oxford. Misschien had ze zich die alleen maar verbeeld.

‘Agnes, je speelt met je bel,’ zei Rosemund.

‘Niet waar,’ zei Agnes. ‘Dat komt door het lopen.’

‘Kijk eens naar de kerk,’ zei Kivrin. ‘Is het geen mooi gezicht?’

Het gebouw straalde als een vuurtoren aan de rand van het open veld, van binnen en van buiten verlicht. Door de glas-in-loodramen viel een rood en blauw schijnsel over de sneeuw. Toortsen verlichtten het hele kerkhof tot aan de klokketoren. Kivrin kon de teerachtige geur van de fakkels ruiken. Mensen met fakkels kwamen van de witte akkers en van de heuvel achter de kerk.

Kivrin moest ineens aan Oxford op kerstavond denken, met de verlichte etalages en de mensen die op het laatste moment nog inkopen deden en de gele ramen van Brasenose aan de binnenplaats. En aan de kerstboom van Balliol, beschenen door veelkleurige laserlampen.

‘Ik was liever naar u gekomen voor de kerstdagen,’ zei vrouwe Imeyne tegen vrouwe Yvolde. ‘Dan hadden we tenminste een behoorlijke mis gehad. De priester hier kent amper het onzevader.’

De priester hier heeft net uren in een ijskoude kerk op zijn knieën gelegen, dacht Kivrin, met gaten in zijn broek, en nu luidt de priester hier een uur lang de zware klok en straks draagt hij een ingewikkelde mis op die hij uit zijn hoofd heeft moeten leren omdat hij niet kan lezen.

‘Ik vrees dat het een armzalige preek en een armzalige mis wordt,’ zei vrouwe Imeyne.

‘Eilaas, nog maar weinigen zoeken God dezer dagen,’ zei vrouwe Yvolde. ‘Maar we moeten God bidden dat Hij de wereld beter maakt en de mensen weer deugd bijbrengt.’

Kivrin betwijfelde of dat het antwoord was dat vrouwe Imeyne wilde horen. ‘Ik heb de bisschop van Bath gevraagd ons een andere kapelaan te sturen,’ zei Imeyne, ‘maar die is nog niet gekomen.’

‘Mijn broer zegt dat er moeilijkheden in Bath zijn,’ zei Yvolde.

Ze hadden bijna het kerkplein bereikt. Kivrin keek naar de mensen in het licht van de walmende fakkels en van de olielampjes die enkele vrouwen bij zich hadden. Hun gezichten, rood van de kou en van onderen beschenen, hadden iets sinisters. Meneer Dunworthy zou denken dat het een opgehitste menigte was, dacht Kivrin, die een arme martelaar naar de brandstapel bracht. Het kwam door het licht. Bij een fakkel zag iedereen er als een moordenaar uit. Geen wonder dat de elektriciteit was uitgevonden.

Ze kwamen op het kerkplein. Kivrin herkende een paar mensen die bij de deur stonden: de jongen met scheurbuik die voor haar op de vlucht was gegaan, twee meisjes die met het koken hadden geholpen en Cob. De vrouw van de meier droeg een mantel met een hermelijnen kraag en in haar hand droeg ze een metalen lantaren met vier ruitjes van echt glas. Ze was druk in gesprek met de vrouw met de littekens die de tafels had schoongemaakt. Iedereen liep rond om warm te blijven en een man met een zwarte baard lachte zo uitbundig dat hij met zijn fakkel bijna de kap van de vrouw van de meier in brand stak.

Nachtmissen zouden later door de kerk worden verboden vanwege het overdadige drankgebruik en andere uitspattingen. Kivrin vond dat sommige kerkgangers inderdaad sterk de indruk wekten dat ze zich niet aan de vasten hadden gehouden. De meier stond opgewonden te praten met een ruig uitziende kerel, die volgens Rosemund de vader van Maisry was. Ze hadden allebei vuurrode gezichten van de kou, het toortslicht of de drank, of misschien van alle drie, maar ze waren eerder uitgelaten dan gevaarlijk. De meier onderstreepte zijn woorden telkens met een daverende klap op de schouder van Maisry’s vader, die elke keer een machteloos lachje uitstootte dat Kivrin deed vermoeden dat hij slimmer was dan hij eruitzag.

De vrouw van de meier probeerde haar man bij zijn mouw te pakken, maar hij kwam pas tot bedaren toen vrouwe Eliwys en heer Bloet door het hek kwamen en maakte evenals Maisry’s vader meteen de weg vrij. Ook de anderen traden zwijgend terzijde terwijl de stoet over de voorhof naar de zware deur liep. Ze hervatten hun gesprekken op zachtere toon en sloten zich bij het gezelschap aan.

Heer Bloet gespte bij de deur zijn zwaard los en gaf het aan een knecht, waarna hij met vrouwe Eliwys op de drempel neerknielde en een kruisteken maakte. Samen liepen ze bijna tot aan het koorhek en knielden opnieuw.

Kivrin en de meisjes volgden. Agnes sloeg een kruis en haar bel tinkelde luid in de kerk. Kivrin wilde hem van haar pols halen, maar vrouwe Imeyne stond bij de deur al ongeduldig te wachten met de zuster van heer Bloet en Kivrin durfde Agnes niet mee te nemen naar de tombe van Imeynes gemaal.