Ze nam de meisjes mee naar voren. Heer Bloet was al opgestaan. Eliwys bleef iets langer op haar knieën liggen, waarna heer Bloet haar naar de noordzijde van de kerk bracht en een lichte buiging maakte voordat hij zijn plaats bij de andere mannen innam.
Kivrin knielde met de kinderen neer bij het koorhek en hoopte dat Agnes niet opnieuw zo’n herrie zou maken als ze een kruis sloeg. Dat deed ze niet, maar toen Agnes wilde opstaan bleef ze met haar voet in de zoom van haar kleed haken en viel voorover met een lawaai dat het gelui van de klok bijna overstemde. Vrouwe Imeyne stond natuurlijk vlak achter hen en keek woedend naar Kivrin.
Kivrin ging met de meisjes naast Eliwys staan. Vrouwe Imeyne knielde neer, maar Yvolde volstond met een lichte buiging. Zodra Imeyne opstond, haastte een knecht zich een kussentje van donker fluweel naast Rosemund op de grond te leggen, zodat vrouwe Yvolde daarop kon knielen. Een andere knecht deed hetzelfde voor heer Bloet, die zich puffend en met een rood gezicht liet zakken.
Kivrin keek afgunstig naar het kniekussen van Yvolde en dacht aan de plastic dingen die in St. Mary’s aan de rugleuningen hingen. Ze besefte nu pas wat een zegen die uitvinding was, net als de harde houten banken. Zelf zou ze de hele mis staande moeten bijwonen.
De vloer was koud. De hele kerk was koud, ondanks alle verlichting. Lampjes waren langs de wanden geplaatst en voor het met hulst versierde beeld van Sinte Katherine. In het groen op de vensterbanken waren hoge en dunne gele kaarsen gezet, al was het resultaat vermoedelijk niet wat Vader Roche zich had voorgesteld. De heldere vlammen maakten de gekleurde ruiten nog donkerder, bijna zwart.
Gele kaarsen brandden ook in de zilveren kandelaars tussen de hulsttakken op het altaar. Ook het koorhek was met groen versierd en daar had Vader Roche de waskaarsen van vrouwe Imeyne neergezet. Kivrin dacht dat Imeyne toch wel tevreden moest zijn over de inrichting van de kerk en ze wierp een blik in haar richting.
Imeyne hield haar relikwie tussen haar gevouwen handen, maar ze keek strak naar het koorhek. Haar afkeurend op elkaar geperste lippen maakten duidelijk dat ze haar kaarsen liever ergens anders had zien staan, maar Kivrin vond het koorhek precies de goede plaats. Ze verspreidden een helder licht en beschenen het kruisbeeld en de schilderingen van het Laatste Oordeel.
De hele kerk werd er anders door, vertrouwder, bijna als St. Mary’s op kerstavond. Dunworthy had Kivrin vorig jaar meegenomen naar de oecumenische dienst. Ze had naar de Latijnse nachtmis van de Heilige Hervormden willen gaan, maar omdat hun priester tijdens de oecumenische dienst de Schriftlezing moest verzorgen had hij de mis naar vier uur ’s middags verplaatst.
Agnes zat weer met haar bel te spelen. Vrouwe Imeyne draaide zich om en keek haar woedend aan over haar vroom gevouwen handen. Rosemund siste tegen haar zusje dat ze stil moest zijn.
‘Je mag je bel pas laten horen als de mis voorbij is,’ fluisterde Kivrin dicht bij het oor van Agnes.
‘Ik doe helemaal niks,’ fluisterde Agnes, maar ze was in de hele kerk te horen. ‘Het lint zit te strak, zie je wel?’
Kivrin zag er niets van. Ze had het lint juist strakker moeten aantrekken, dan zou het belletje niet bij elke beweging rinkelen. Ze was niet van plan met het vermoeide kind in discussie te gaan nu de mis elk ogenblik kon beginnen en pakte Agnes’ pols.
Agnes had geprobeerd de bel over haar pols te schuiven. De knoop in het toch al gerafelde lint was strak aangetrokken. Kivrin pulkte eraan met haar vingernagels en keek af en toe om naar de deur. De dienst zou beginnen met een kleine processie, waarbij Vader Roche en zijn misdienaars — als hij die tenminste had — onder het zingen van het Asperges met het wijwater naar het altaar ging.
Kivrin peuterde aan de knoop, die met geen mogelijkheid meer los te krijgen was. Het lint zat te strak om over Agnes’ pols te schuiven. Ze keek naar de kerkdeur. De klok zweeg, maar Vader Roche was nog niet te zien en er was trouwens ook geen ruimte voor hem om naar het altaar te gaan. De hele kerk stond vol met dorpelingen. Iemand had een jongetje op de tombe van Imeynes gemaal gezet om hem te laten meekijken, maar er viel nog niets te zien.
Kivrin richtte haar aandacht weer op de bel. Ze wurmde twee vingers onder het lint en probeerde het over de hand van Agnes te trekken.
‘Je maakt het stuk!’ fluisterde Agnes met haar luide stem. Kivrin pakte de bel en stopte die snel in de hand van het kind.
‘Hou hem goed vast,’ fluisterde ze en drukte de vingers van het kind eromheen.
Agnes maakte gehoorzaam een vuist. Kivrin legde haar vrije handje erop, zodat het leek alsof het kind zat te bidden, en zei zachtjes: ‘Als je hem zo blijft vasthouden, maakt hij geen lawaai.’
Agnes drukte haar handen meteen tegen haar voorhoofd, waardoor ze eruitzag als een vroom engeltje.
‘Braaf zo.’ Kivrin sloeg een arm om Agnes heen. Ze keek over haar schouder naar de ingang. De deur was nog dicht. Ze haalde opgelucht adem en draaide haar hoofd om naar het altaar.
Vader Roche stond daar al. Hij droeg een geborduurde witte stola en een vergeeld wit misgewaad, waarvan de zoom nog erger was gerafeld dan het lint om Agnes’ pols, en hij had een boek in zijn handen. Blijkbaar had hij al die tijd al staan wachten terwijl ze met Agnes bezig was geweest, maar er was geen verwijt of zelfs maar ongeduld in zijn houding. Zijn gezicht drukte iets heel anders uit en ze moest ineens denken aan meneer Dunworthy, zoals die door de dunne glazen wand naar haar had staan kijken.
Vrouwe Imeyne schraapte grommend haar keel en Roche leek uit zijn trance te ontwaken. Hij gaf het boek aan Cob, die een smoezelig koorhemd en te grote leren schoenen droeg, en knielde voor het altaar neer. Daarna nam hij het boek weer aan en begon de mis in te leiden.
Kivrin sprak de Latijnse woorden in stilte uit en hoorde de echo van de tolk.
‘Wie hebt gij gezien, o herders?’ zei Vader Roche in het Latijn. ‘Spreek en zeg ons wie er op aarde is verschenen.’ Hij zweeg en keek fronsend naar Kivrin.
Hij is de tekst kwijt, dacht ze. Ze keek gespannen naar Imeyne, die hopelijk zelf niet wist dat er nog meer moest komen, maar Imeyne had haar hoofd al opgetild en keek met opeengeklemde lippen naar de geestelijke.
Roche hield zijn blik op Kivrin gericht. ‘Spreek, wat hebt gij gezien?’ zei hij. Kivrin zuchtte opgelucht. ‘Zeg ons wie er is verschenen.’
Dat was niet de juiste tekst. Kivrin vormde de woorden met haar mond in de hoop dat hij haar zou begrijpen. ‘Wij zagen het pasgeboren Kind.’
Er was niet te merken dat hij haar had begrepen, ook al keek hij haar recht aan. ‘Ik zag…’ begon hij, maar zweeg meteen weer.
‘Wij zagen het pasgeboren Kind,’ fluisterde Kivrin. Vrouwe Imeyne draaide haar hoofd naar haar om.
‘En engelen die de Here prezen,’ zei Roche, wat ook al niet klopte. Vrouwe Imeyne keek weer naar voren en richtte haar afkeurende blik op Roche.
De bisschop zou hier ongetwijfeld over te horen krijgen, net als over de kaarsen en de rafelige zoom en over alle andere tekortkomingen die ze zeker had ontdekt.
‘Spreek, wat hebt gij gezien?’ zei Kivrin geluidloos.
Plotseling leek Roche de draad weer op te pakken.
‘Spreek, wat hebt gij gezien?’ zei hij duidelijk. ‘En vertel ons over de geboorte van Christus. Wij zagen het pasgeboren Kind en engelen die de Here prezen.’
Hij ging verder met het confiteor. Kivrin fluisterde met hem mee, maar hij maakte geen vergissingen meer. Kivrin was er wat geruster op, hoewel ze hem nauwgezet in het oog hield terwijl hij naar het altaar ging voor het Oramus te.
Hij droeg een zwarte kazuifel onder zijn witte kleed, beide gewaden waren van kostbare stof gemaakt. Ze waren veel te kort. Als Roche zich over het altaar boog, kon ze ruim tien centimeter van zijn versleten bruine broek zien. De misgewaden hadden waarschijnlijk aan zijn voorganger toebehoord of waren afdankertjes van Imeynes kapelaan.