Выбрать главу

En in geen zevenhonderdvierendertig jaar had ze aan Agnes kunnen denken, met haar hondje en haar kattekwaad en haar ontstoken knie. Ik ben blij dat ik hier ben, dacht ze. Ondanks alles.

Vader Roche maakte het kruisteken met de kelk en dronk eruit. ‘Dominus vobiscum,’ zei hij, en Kivrin hoorde rumoer achter zich. Het belangrijkste van de voorstelling was achter de rug en de eerste mensen gingen weg om uit de drukte te komen. Blijkbaar hoefde bij het weggaan niemand op de familie van de landheer te wachten. De gesprekken werden al hervat voordat ze de kerk uit waren. Kivrin kon de zegen nauwelijks verstaan.

Ite, Missa est,’ zei Vader Roche met stemverheffing. Vrouwe Imeyne was al op weg naar de uitgang voordat hij zijn hand kon laten zakken, alsof ze meteen naar Bath wilde afreizen om de bisschop in te lichten.

‘Hebt u de smeerkaarsen bij het altaar gezien?’ zei ze tegen vrouwe Yvolde. ‘Ik had hem nog zo gevraagd mijn bieskaarsen te gebruiken.’

Vrouwe Yvolde schudde haar hoofd en wierp een dreigende blik naar Vader Roche, waarna de twee vrouwen naar de deur gingen, op de voet gevolgd door Rosemund.

Het meisje was blijkbaar niet van plan samen met heer Bloet terug naar huis te gaan en probeerde zich onzichtbaar te maken. De dorpelingen sloten zich pratend en lachend bij de vrouwen aan. Tegen de tijd dat heer Bloet zijn zware lijf steunend en blazend overeind had gehesen, zouden de anderen al in de ridderzaal zijn.

Kivrin kwam zelf maar met moeite overeind. Haar ene voet sliep en Agnes was nog steeds van de wereld. ‘Agnes,’ zei ze. ‘Word wakker, we moeten naar huis.’

Heer Bloet was opgestaan met een inspanning die hem bijna paars deed aanlopen en ging naar Eliwys om haar een arm te geven. ‘Uw dochter is in slaap gevallen,’ zei hij.

Eliwys keek naar Agnes. ‘Ja.’

Ze nam zijn arm en liep met hem naar de deur.

‘Uw gemaal is toch nog niet teruggekeerd.’

‘Nee,’ zei Eliwys. Ze leunde wat zwaarder op zijn arm.

De klokken waren allemaal weer gaan luiden, helemaal uit de maat. Het was prachtig om te horen. ‘Agnes,’ zei Kivrin. Ze schudde het meisje heen en weer. ‘Nu mag je je bel luiden.’

Agnes bewoog niet eens. Kivrin nam het slapende kind in haar armen. Agnes’ handen gleden over haar schouder en de bel rinkelde.

‘Hier heb je de hele avond op gewacht,’ zei Kivrin, die probeerde op te staan. ‘Word wakker, lammetje.’

Ze keek om zich heen. De kerk was bijna leeggestroomd. Cob deed de ronde om de kaarsen met zijn ruwe vingers te snuiten. Gawyn en de neven van heer Bloet stonden achterin hun zwaarden om te gespen. Vader Roche was nergens te zien. Kivrin vroeg zich af of hij degene was die zo uitbundig de klok luidde.

Haar slapende voet begon te tintelen. Ze schoof hem heen en weer in haar dunne schoen en zette haar gewicht erop. Het was een vervelend gevoel, maar ze kon erop staan. Ze schoof Agnes over haar schouder en probeerde rechtop te gaan staan. Haar voet haakte achter de zoom van haar kleed en ze viel naar voren.

Gawyn ving haar op. ‘Vrouwe Eliwys verzocht mij u te helpen, vrouwe Katherine,’ zei hij. Hij nam Agnes in zijn sterke armen en liep met grote passen naar de deur. Kivrin hobbelde zo snel ze kon met hem mee.

‘Dank u,’ zei Kivrin toen ze het drukke kerkhof achter zich hadden gelaten. ‘Ik kon haar bijna niet meer houden.’

‘Ze is al een grote meid,’ zei hij.

Het belletje gleed van Agnes’ pols en viel rinkelend in de sneeuw. Kivrin bukte om het op te rapen. De knoop was strak aangetrokken en de korte uiteinden van het lint waren helemaal gerafeld, maar zodra ze de bel opraapte liet de knoop los. Ze bond de bel met een strikje weer aan Agnes’ pols.

‘Ik ben blij dat ik een dame in nood kon helpen,’ zei Gawyn, maar ze hoorde hem niet.

Ze waren helemaal alleen op het open veld. De rest van de familie had bijna de poort van het riddergoed bereikt. De meier hield zijn lantaren omhoog voor Imeyne en Yvolde. Voor de kerk stonden nog veel mensen, net als langs het pad, waar iemand een vreugdevuur had aangestoken. De mensen warmden hun handen bij de vlammen en er werd een houten kom met een of andere drank doorgegeven, maar hier op de brink was niemand meer. Dit was de gelegenheid waar Kivrin op had gewacht.

‘Ik moet u nog bedanken voor alles wat u voor mij hebt gedaan,’ zei ze. ‘Waar heeft u mij gevonden? Is het ver hiervandaan? Kunt u mij de plek laten zien?’

Hij bleef staan om haar aan te kijken. ‘Hebben ze u dan niet gezegd dat ik al uw bezittingen naar de hofstede heb gebracht? De rovers hadden uw kostbaarheden meegenomen en ik heb geprobeerd ze te vinden, maar dat is niet gelukt.’ Hij liep weer door.

‘Ik weet dat mijn kisten hier zijn, dank u. Maar dat is niet waarom ik de plek wilde zien,’ zei ze haastig, bang dat ze de anderen zouden inhalen voordat ze hem de belangrijkste vraag kon stellen.

Vrouwe Imeyne was blijven staan en keek hun kant op. Kivrin moest opschieten, voordat Imeyne de meier stuurde om te zien waar ze bleven.

‘Door de slag op mijn hoofd ben ik mijn geheugen kwijtgeraakt,’ zei ze. ‘Misschien kan ik me weer iets herinneren als ik de plek terugzie.’

Hij was weer blijven staan en keek naar de heuvel achter de kerk. Op de weg waren dansende lichten te zien die snel naderbij kwamen. Mensen die te laat kwamen voor de mis?

‘U bent de enige die weet waar het is,’ zei Kivrin, ‘anders zou ik u er niet mee lastig vallen. Als u me zegt waar de plek is, dan kan ik…’

‘Er is daar niets te zien,’ zei hij afwezig, nog altijd naar de weg kijkend. ‘Ik heb uw kar en uw kisten hierheen gebracht.’

‘Dat weet ik,’ zei Kivrin radeloos, ‘dank u, maar…’

‘Ze zijn in de schuur,’ zei hij. Er klonk hoefgetrappel. De lichten waren lantarens van vijf of zes ruiters, die langs de kerk en door het dorp draafden en vlak bij vrouwe Eliwys en de anderen inhielden.

Dat is Guillaume, dacht Kivrin. Voor ze er echter erg in had, stopte Gawyn Agnes in haar armen en rende er met getrokken zwaard op af.

Kivrin schrok en zette het eveneens op een lopen, bijna struikelend onder het gewicht van Agnes. Het was Guillaume niet, dit waren zijn vijanden, de mensen voor wie ze zich verborgen hielden. Daarom wilde Eliwys niet dat heer Bloet van hun komst op de hoogte was.

De drie ruiters met de lantarens waren afgestegen. Eliwys ging naar een van de drie anderen, die op hun paard waren blijven zitten, en viel plotseling op haar knieën, alsof ze een klap had gekregen.

O nee, dacht Kivrin. Ze holde ademloos door. Het belletje van Agnes rinkelde wild.

Ze zag het zwaard van Gawyn schitteren in het lamplicht, maar ook hij viel op zijn knieën. Eliwys ging staan en stak haar armen uit in een gebaar van verwelkoming.

Kivrin bleef staan en snakte naar adem. Heer Bloet maakte een kniebuiging en stond weer op. De ruiters sloegen hun kappen terug. Ze droegen hoofddeksels die wel kronen leken. Gawyn stak zijn zwaard weer in de schede. Een van de ruiters hief zijn hand, waarin iets fonkelde.

‘Wat gebeurt er?’ vroeg Agnes slaperig.

‘Ik weet het niet,’ zei Kivrin.

Agnes draaide haar hoofd om. ‘Het zijn de drie koningen,’ zei ze verwonderd.

AFSCHRIFT UIT HET DOMESDAY BOOK
(064996–065537)

Kerstavond 1320 (Oude Stijl). Een bode van de bisschop en twee andere geestelijken zijn aangekomen. Ze kwamen kort na de nachtmis. Vrouwe Imeyne is in de wolken. Ze denkt dat de bisschop haar een nieuwe kapelaan heeft gestuurd, maar daar ben ik nog niet zo zeker van. Ze hebben helemaal geen bedienden bij zich en ze zijn erg gespannen, alsof ze op een geheime missie zijn.