Er moet nieuws over heer Guillaume zijn, hoewel het hof van Assizen geen kerkelijke rechtbank is. Misschien is de bisschop een vriend van heer Guillaume of van koning Edward en wil hij met Eliwys overleggen over een manier om Guillaume vrij te krijgen.
Wat de reden voor hun komst ook is, het is goed te merken dat ze er zijn. Agnes dacht eerst dat ze de drie wijzen uit het oosten waren en ze maken ook een koninklijke indruk. De gezant van de bisschop heeft een mager, aristocratisch gezicht, en alle drie zijn ze gekleed als koningen. Een van de mannen draagt een paarse fluwelen mantel met op de rug een kruis van witte zijde geborduurd.
Vrouwe Imeyne klampte hem onmiddellijk aan en begon te klagen over de onwetende, onhandige en onhandelbare Vader Roche. ‘Hij verdient geen eigen parochie,’ zei ze. Jammer voor haar (en gelukkig voor Vader Roche) is hij niet de gezant, maar alleen diens schrijver. De gezant droeg een eveneens zeer fraaie rode mantel, versierd met goudstiksel en een zoom van sabelbont.
De derde geestelijke is een cisterciënzer monnik. Hij draagt althans een wit habijt, maar dat is van nog fijnere wol dan mijn eigen mantel, met een zijden koord als ceintuur. Hij heeft een prachtige ring aan elk van zijn dikke vingers en hij gedraagt zich helemaal niet als een monnik. Net als de gezant begon hij al om wijn te roepen voordat hij van zijn paard was gestegen en de schrijver had blijkbaar al het nodige gedronken voordat hij op weg ging. Hij struikelde over zijn benen toen hij afsteeg en moest door de dikke monnik ondersteund worden toen hij naar binnen ging.
(Pauze)
Ik heb me vergist in de reden voor hun komst. Eliwys en heer Bloet namen de gezant van de bisschop meteen terzijde, maar het gesprek duurde slechts een paar minuten en net hoorde ik Eliwys tegen Imeyne zeggen: ‘Ze hebben niets van Guillaume vernomen.’
Daar leek Imeyne zich niet over te verbazen, laat staan dat ze zich bezorgd toonde. Zij gelooft nog steeds dat ze een nieuwe kapelaan krijgt en ze legt de gasten in de watten. Ze liet onmiddellijk eten aanvoeren en gaf de gezant de ereplaats. De geestelijken hebben meer belangstelling voor de wijn dan voor het eten. Imeyne ging zelf wijn voor ze halen, maar hun kommen zijn al leeg en nu willen ze nog meer hebben. De schrijver pakte Maisry bij haar kleed toen ze de kan kwam brengen, trok haar langzaam naar zich toe en stak zijn hand in haar hemd. Maisry sloeg haar handen natuurlijk meteen over haar oren.
Het enige voordeel van hun aanwezigheid is de algemene beroering die nu is ontstaan. Ik kon niet lang genoeg met Gawyn praten, maar morgen of overmorgen krijg ik vast nog wel eens de gelegenheid om hem naar de open plek te vragen. Imeyne heeft alleen maar oog voor de gezant, die net de kan uit Maisry’s hand heeft gegrist om zelf maar in te schenken. Er is tijd genoeg. Ik heb nog bijna een week.
21
Op 28 december stierven nog twee mensen, die allebei op het feest in Headington waren geweest, en kreeg Latimer een beroerte.
‘Hij heeft myocarditis en trombo-embolie,’ had Mary door de telefoon gezegd. ‘Hij reageert helemaal niet op de medicijnen.’
In Balliol was de helft van de gestrande reizigers ziek geworden en het ziekenhuis had alleen nog plaats voor de zwaarste gevallen. Dunworthy, Finch en een door William opgetrommelde leerling-verpleegkundige namen om beurten de temperatuur op en deelden sinaasappelsap uit. Dunworthy richtte veldbedden in en gaf medicijnen.
Hij maakte zich zorgen. Toen hij Mary vertelde wat Badri over het tijdsverschil en de ratten had gezegd, antwoordde ze alleen maar: ‘Dat is de koorts, James. Het heeft niets met de werkelijkheid te maken. Ik heb hier een patiënt die het steeds over de olifanten van de koningin heeft.’ Maar hij raakte het idee niet kwijt dat Kivrin in het jaar 1348 terecht was gekomen.
‘Welk jaar is het?’ had Badri de eerste avond gevraagd en ‘Dat kan niet goed zijn.’
Na zijn ruzie met Gilchrist had hij Andrews gebeld om te zeggen dat hij geen toegang kon krijgen tot het lab van Brasenose. ‘Dat geeft niet,’ had Andrews gezegd. ‘De plaats is niet zo belangrijk als de datum. Ik zal Jesus College vragen of ze gegevens van de opgraving in Skendgate hebben. Ik kan bij hen ook de parameters controleren.’
Het beeld was weer uitgevallen, maar Andrews klonk nerveus, alsof hij bang was dat Dunworthy hem weer zou vragen naar Oxford te komen. ‘Ik heb wat literatuur over het tijdsverschil opgezocht,’ zei hij. ‘In theorie is er geen limiet, maar in de praktijk treedt er altijd een zekere verschuiving op, zelfs in onbewoond gebied. Het hoogste ooit opgetreden maximum is vijf jaar en daarbij ging het om onbemande proeven. De grootste verschuiving bij echte tijdreizen deed zich voor bij een reis naar de zeventiende eeuw: 226 dagen.’
‘Kan het ook iets anders zijn?’ had Dunworthy gevraagd. ‘Kan er een andere fout in zijn geslopen?’
‘Nee, niet als de coördinaten kloppen.’ Andrews had hem beloofd zich te melden zodra hij de parameters had gecontroleerd.
Vijf jaar verschil, dan zou Kivrin in het jaar 1325 zijn. De pest was toen nog niet eens in China uitgebroken en Badri had tegen Gilchrist gezegd dat er maar een minimale verschuiving was opgetreden. En aan de coördinaten kon het niet liggen, die had Badri nagerekend voordat hij ziek werd. Maar de angst bleef aan Dunworthy vreten en hij besteedde elk vrij ogenblik om andere ingenieurs op te sporen, die bereid waren naar Oxford te komen zodra Gilchrist het laboratorium weer zou vrijgeven. De uitslag van het DNA-onderzoek had er de vorige dag al moeten zijn, maar toen Mary hem belde had ze nog niets gehoord.
Aan het eind van de middag belde ze opnieuw. ‘Kun je daar een ziekenzaal inrichten?’ vroeg ze. De beeldverbinding was hersteld. Mary zag eruit alsof ze in haar hospitaalkleding had geslapen en haar masker bungelde aan haar hals.
‘Dat heb ik al gedaan,’ zei hij. ‘We hebben inmiddels eenendertig zieken.’
‘Heb je nog ruimte over?’ vroeg ze afgemat. ‘Ik heb hem niet direct nodig, maar lang kan het niet duren. We zitten hier bijna vol en er zijn nogal wat artsen en verpleegkundigen zelf ziek geworden, of anders durven ze niet te komen.’
‘En je hebt de uitslag nog niet binnen?’ vroeg hij.
‘Nee. Het WIC heeft net gebeld. In de eerste test was een fout geslopen en daarom moesten ze opnieuw beginnen. Ik verwacht het resultaat morgen. Op het ogenblik denken ze dat het virus uit Uruguay komt.’ Ze glimlachte gelaten. ‘Badri kent zeker niemand uit Uruguay? Wanneer kan ik patiënten naar jou sturen?’
‘Tegen de avond,’ zei Dunworthy, maar Finch vertelde dat ze bijna geen stretchers meer hadden en daarom moest hij zelf naar de Gezondheidsraad om een dozijn los te peuteren. Pas tegen de ochtend hadden ze een van de collegezalen als ziekenkamer ingericht.
Terwijl Finch hem hielp de bedden op te maken verklaarde hij dat ze bijna geen schone lakens, neusmaskers en wc-papier meer hadden. ‘Er is niet genoeg voor onze gasten,’ zei hij, een laken instoppend, ‘laat staan voor al deze nieuwe patiënten. En verband hebben we helemaal niet.’
‘Het is geen oorlog,’ zei Dunworthy. ‘Ik betwijfel of we gewonden zullen krijgen. Ben je er al achter of er van een van de andere colleges een ingenieur in Oxford is gebleven?’
‘Ik heb ze allemaal gebeld, meneer, maar er is niemand.’ Hij klemde een kussen onder zijn kin. ‘Ik heb briefjes opgehangen om de mensen erop te wijzen dat ze zuinig moeten zijn met het wc-papier, maar dat heeft helemaal niet geholpen. Vooral de Amerikanen zijn er erg royaal mee.’ Hij schoof de hoes over het kussen. ‘Toch heb ik met ze te doen. Helen is gisteren ziek geworden, moet u weten, en er is niemand om haar te vervangen.’
‘Helen?’
‘Mevrouw Piantini, de tenor. Ze heeft 39,7 graden koorts. Nu kunnen de Amerikanen hun Chicago Surprise niet uitvoeren.’