Выбрать главу

Nog een geluk bij een ongeluk, dacht Dunworthy. ‘Vraag of ze mijn telefoon willen blijven aannemen, ook als ze niet meer oefenen. Ik verwacht een paar belangrijke berichten. Heeft Andrews teruggebeld?’

‘Nee, meneer, nog niet. En er is geen beeld.’ Finch sloeg het kussen plat. ‘Toch jammer van de uitvoering. Ze kunnen natuurlijk wel een Stedmans brengen, maar dat is oude koek. Zonde dat er geen alternatief is.’

‘Heb je een lijst van alle ingenieurs opgesteld?’

‘Ja, meneer.’ Finch worstelde met een tegenstribbelende stretcher en wees met zijn kin. ‘Daar bij het bord.’

Dunworthy pakte een stapeltje papieren op. Het bovenste vel stond vol met getallen, gevormd door een steeds wisselende volgorde van de cijfers een tot en met zes.

‘Dat is het niet.’ Finch griste de papieren uit zijn hand. ‘Dat zijn de wisselingen van de Chicago Surprise.’ Hij gaf Dunworthy een ander vel. ‘Dit is de lijst. Ik heb ze gesorteerd naar college, met de adressen en telefoonnummers erbij.’

Colin kwam binnen in zijn natte jack en met in zijn handen een rol plakband en een in plasteen gewikkeld pakket. ‘Ik moet deze overal ophangen van de dominee,’ zei hij. Hij haalde een aanplakbiljet te voorschijn met het opschrift: ‘Voelt u zich gedesoriënteerd? Verwarring kan een symptoom van influenza zijn’.

Hij scheurde een stuk tape af en plakte het biljet op het prikbord. ‘Ik was ze aan het ophangen in het ziekenhuis, maar wat denkt u dat mevrouw Godsamme deed?’ Hij haalde een andere poster van de stapel. ‘Draag uw gezichtsmasker’, stond erop. Hij hing hem aan de muur boven de stretcher die Finch aan het opmaken was. ‘Zij zat patiënten voor te lezen uit de bijbel.’ Hij stak het plakband in zijn zak. ‘Ik hoop dat ik het niet krijg.’ Hij stak de overgebleven posters onder zijn arm en ging naar de deur.

‘Draag je masker,’ zei Dunworthy.

Colin grinnikte. ‘Dat zei Godsamme ook. En dat de Heer iedereen zal verdelgen die de woorden van de rechtvaardigen in de wind slaat.’ Hij haalde de grijsgeruite sjaal uit zijn zak. ‘Dit is beter dan een masker.’ Hij wikkelde de sjaal om zijn gezicht, waardoor hij eruitzag als een overvaller.

‘Dat ding houdt geen microscopisch kleine virussen tegen,’ zei Dunworthy.

‘Weet ik, maar ze schrikken van de kleur.’ Colin holde de deur uit.

Dunworthy probeerde Mary te bellen om te zeggen dat de nieuwe ziekenzaal gereed was, maar omdat hij geen verbinding kreeg ging hij zelf naar het ziekenhuis. Het regende niet meer zo hard en de mensen waagden zich weer op straat, de meesten met hun masker voor, om inkopen te doen bij de groentenwinkel en vooral bij de drogist. Toch was het onnatuurlijk stil buiten.

Iemand heeft het carillon uitgezet, dacht Dunworthy. Hij vond het bijna jammer.

Mary zat in haar kantoor naar een monitor te staren. ‘De uitslag is binnen,’ zei ze, voordat hij over de ziekenzaal kon beginnen.

‘Heb je Gilchrist ingelicht?’ zei hij snel.

‘Nee,’ zei ze. ‘Het virus komt niet uit Uruguay en ook niet uit South Carolina. Het is een H9n2. De andere twee waren allebei H3.’

‘Waar komt het dan vandaan?’

‘Dat weet het WIC niet. Het is geen bekend virus. De DNA-structuur is uniek.’ Ze gaf hem een uitdraai. ‘Het gaat om mutaties op zeven punten, vandaar dat er mensen aan sterven.’

Hij keek naar het papier. Dat stond vol met rijen getallen, net als het papier van Finch, en voor Dunworthy even onbegrijpelijk. ‘Het moet toch ergens vandaan komen?’

‘Dat is niet gezegd. Gemiddeld elke tien jaar treedt er een grote antigene mutatie op die tot een epidemie kan leiden. Het kan dus bij Badri begonnen zijn.’ Ze nam de uitdraai van hem over. ‘Weet jij of hij ergens woont waar vee in de buurt is?’

‘Vee?’ zei hij. ‘Hij heeft een flat in Headington.’

‘Varianten kunnen soms ontstaan door de combinatie van dierlijk en menselijk virus, runderen of vogels. Het WIC wil dat we mogelijke contacten met dieren onderzoeken, evenals blootstelling aan straling. Ook röntgenstraling kan soms tot mutaties leiden.’ Ze bestudeerde de uitdraai alsof het voor haar geen geheimtaal was. ‘Het is een ongewone mutatie. Er is geen recombinantie van de hemaglutinine-genen, alleen een extreem grote puntmutatie.’

Geen wonder dat ze niets tegen Gilchrist had gezegd. Die zou zich alleen maar gesterkt voelen in zijn mening dat het laboratorium gesloten moest blijven.

‘Is er een middel tegen?’

‘Zodra we een analogon kunnen maken en een vaccin. Er wordt al aan het prototype gewerkt.’

‘Hoe lang duurt dat?’

‘Voor een prototype is drie tot vijf dagen nodig, daarna nog minstens vijf dagen voor de aanmaak, als er tenminste geen problemen zijn met het kopiëren van de eiwitten. Rond 10 januari zouden we met inenten moeten kunnen beginnen.’

De tiende. En dan zouden ze nog maar kunnen beginnen. Hoe lang zou het duren om heel Oxford en omgeving in te enten? Een of twee weken? En wanneer zouden Gilchrist en die achterlijke demonstranten de situatie veilig genoeg achten om het lab weer open te stellen?

‘Dat is te lang,’ zei Dunworthy.

‘Ik weet het,’ zei Mary met een zucht. ‘Joost mag weten hoeveel patiënten we tegen die tijd hebben. Alleen vanochtend hebben we al twintig nieuwe gevallen gekregen.’

‘Denk jij dat het om een variant gaat?’ vroeg Dunworthy.

Ze dacht even na. ‘Nee. Het lijkt mij veel waarschijnlijker dat Badri door iemand op het feest in Headington is besmet. Misschien door een Nieuw-Hindoe of een Aardling of iemand anders die niet in vaccins en moderne geneeskunde gelooft. Misschien herinner je je nog dat de Canadese ganzen-griep van 2010 ontstond in een commune van Christian Science. Er moet een haard zijn en die vinden we wel.’

‘En wat moet Kivrin intussen? Als je de haard nu eens niet op tijd ontdekt? Kivrin moet 6 januari terugkomen. Ben je er dan al achter?’

‘Ik weet het niet,’ zei ze vermoeid. ‘Misschien wil ze helemaal niet terug naar onze gevaarlijke eeuw en blijft ze liever in 1320.’

Als ze daar is, dacht hij, en ging naar boven om Badri op te zoeken. Sinds kerstavond had hij het niet meer over ratten gehad. Inmiddels voerde zijn koorts hem terug naar de middag na Kivrins vertrek, toen hij naar de pub was gegaan om Dunworthy te zoeken. ‘Laboratorium?’ mompelde hij toen hij Dunworthy zag. Hij stak een hand uit alsof hij hem een briefje wilde geven en liet zijn hoofd op het kussen vallen, uitgeput door de inspanning.

Dunworthy bleef maar een paar minuten bij hem en ging vervolgens Gilchrist zoeken.

Het regende weer hard toen hij bij Brasenose kwam. Het groepje betogers stond rillend onder het spandoek.

De portier was bezig de versieringen van de kleine kerstboom te halen. Hij keek met een geschrokken gezicht naar Dunworthy, die langs de portiersloge door de poort liep.

‘U kunt niet naar binnen, meneer Dunworthy,’ riep de portier hem na. ‘Het college is gesloten.’

Dunworthy liep de binnenplaats op. Gilchrist bewoonde een suite in het gebouw achter het laboratorium. Hij ging er op een drafje heen, bang dat de portier hem achterna zou komen om hem tegen te houden.

Op de deur van het lab hing een groot geel bord: VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN. Er was een elektronisch alarm aangebracht.

‘Meneer Dunworthy!’ zei Gilchrist, die met grote passen door de regen kwam aanlopen. De portier moest hem gewaarschuwd hebben. ‘Het lab staat onder quarantaine.’

‘Ik kom voor u,’ zei Dunworthy.

De portier kwam naar hen toe, met in zijn hand een pluk engelenhaar. ‘Zal ik de universiteitspolitie laten komen?’ vroeg hij.

‘Dat is niet nodig. Kom maar mee naar mijn kamer,’ zei Gilchrist. ‘Ik wil u iets laten zien.’

Hij bracht Dunworthy naar zijn kantoor, ging aan zijn met papieren bezaaide bureau zitten en deed een soort gasmasker voor.