Выбрать главу

‘Daar wordt aan gewerkt,’ zei hij en legde neer.

Colin kwam kletsnat binnen om een nieuwe rol plakband te halen. ‘Heeft u al gehoord dat het virus een mutant is?’ zei hij opgewonden.

‘Ja,’ zei Dunworthy. ‘Ik wil dat je naar je tante in het ziekenhuis gaat om een paar lijsten voor me op te halen.’

Colin legde zijn aanplakbiljetten neer. Het bovenste luidde: ‘Hoe blijf ik gezond?’

‘Ze zeggen dat het een biologisch wapen is,’ zei Colin. ‘Het is uit een laboratorium ontsnapt.’

Niet uit dat van Gilchrist, dacht Dunworthy wrang. ‘Weet jij waar William Gaddson is?’

‘Nee.’ Colin trok een vies gezicht. ‘Hij zal wel weer ergens staan te zoenen.’

Om precies te zijn was hij daarmee bezig in de bijkeuken. Dunworthy gaf hem opdracht na te gaan waar Badri van dinsdag tot zondagochtend was geweest en welke betalingen Basingame in december had gedaan, waarna hij terugging naar zijn kamer om weer te bellen.

Een van de ingenieurs was voor Negentiende Eeuw op lokatie in Moskou, twee andere waren met skivakantie. De rest nam niet op, misschien wel omdat ze door Andrews waren gewaarschuwd.

Colin kwam terug met de lijsten. Het was een warboel. Niemand had een poging gedaan de gegevens te ordenen, afgezien van mogelijke Amerikaanse contacten, en er waren veel te veel namen. Van de eerste patiënten was de helft op het feest in Headington geweest, had twee derde boodschappen in het centrum gedaan en op twee na iedereen de metro genomen. Het was zoeken naar een naald in een hooiberg.

Het kostte hem de halve nacht om de godsdienstige overtuiging van de zieken vast te stellen. Tweeënveertig patiënten behoorden tot de Anglicaanse Kerk, negen tot de Heilige Hervormden, zeventien waren nergens bij aangesloten. Acht studeerden aan Shrewsbury College, elf hadden bij Debenham in de rij gestaan om de kerstman te zien, negen hadden geholpen bij het opgraven van Skendgate, dertig hadden boodschappen gedaan bij Blackwell.

Eenentwintig primaire patiënten waren met minstens twee secundaire in aanraking gekomen en alleen de kerstman van Debenham was al bij tweeëndertig patiënten in de buurt geweest (van wie de meesten in een pub nadat zijn werk erop zat), maar alleen Badri was met alle primaire gevallen in contact geweest.

De volgende ochtend kwam Mary met de patiënten voor wie in het ziekenhuis geen plaats meer was. Ze droeg haar steriele kleding, maar geen masker. ‘Zijn de bedden klaar?’ vroeg ze.

‘Ja. We hebben twee zalen met elk tien bedden.’

‘Goed. Ik heb ze allemaal nodig.’

De zieken werden in bed gestopt en aan de zorg van Williams leerling-verpleegkundige toevertrouwd. ‘Ik stuur nog meer patiënten zodra we een ambulance vrij hebben,’ zei Mary, die met Dunworthy over de binnenplaats naar de poort liep.

Het regende niet meer en het zag er zelfs naar uit dat het zou gaan opklaren.

‘Wanneer komt het analogon?’ vroeg hij.

‘Dat duurt nog minstens twee dagen,’ zei ze.

Ze kwamen bij de poort. Mary leunde tegen de stenen muur. ‘Als dit eindelijk achter de rug is, ga ik een tijdreis maken,’ zei ze. ‘Naar een eeuw waar ze geen epidemieën hebben en waar je niet bang hoeft te zijn of machteloos moet toekijken.’ Ze streek met een hand over haar grijze haar. ‘Een eeuw waar je met een gerust hart naartoe kunt gaan.’ Ze glimlachte. ‘Maar die bestaat geloof ik niet.’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Heb ik je wel eens verteld over het Dal der Koningen?’

‘Daar was je tijdens de Pandemie geweest.’

Ze knikte. ‘Caïro was onder quarantaine, daarom moesten we in Addis Abeba het vliegtuig nemen en onderweg gaf ik de taxichauffeur een dikke fooi om ons naar het Dal der Koningen te brengen. Ik wilde het graf van Toetankamon zien. Het was stom, natuurlijk. De Pandemie had Luxor al bereikt en we hadden bijna niet meer weg gekund. We zijn twee keer beschoten.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Het had onze dood kunnen worden. Mijn zus wilde de auto niet eens uit, maar ik ben de trap afgegaan naar de ingang van het graf. Ik stelde me voor dat het nog precies zo was als toen Carter de deur ontdekte.’

Ze keek naar Dunworthy zonder hem te zien, in herinnering verzonken. ‘De ingang was afgesloten toen ze hem vonden en eigenlijk moesten ze op toestemming van de autoriteiten wachten. Carter boorde een gat in de deur en hield er een kaars bij om naar binnen te kijken.’ Ze liet haar stem dalen. ‘Carnarvon vroeg of hij iets kon zien en hij antwoordde: “Ja, prachtige dingen.”’ Ze sloot haar ogen. ‘Daar moest ik aan denken toen ik daar bij die gesloten deur stond. Ik zie het nu nog duidelijk voor me.’ Ze deed haar ogen open. ‘Misschien ga ik daar wel heen als het allemaal voorbij is. Dan kan ik de opening van het graf meemaken.’ Ze stak haar hoofd naar buiten. ‘O jee, het regent weer. Ik moet terug. Je kunt dus nog meer zieken verwachten.’ Ze keek hem scherp aan. ‘Waarom heb je je masker niet voor?’

‘Mijn bril beslaat er telkens door. Waarom draag jij je masker niet?’

‘We komen te kort. Jij hebt je extra inenting toch al gehad?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik heb er gewoon geen tijd voor gehad.’

‘Dan maak je tijd vrij,’ zei ze. ‘En gebruik je masker. Als je ziek wordt kun je Kivrin helemaal niet meer helpen.’

Alsof ik dat nu wel kan, dacht hij, terwijl hij terugging naar zijn kamer. Ik kan het laboratorium niet in, ik kan geen ingenieur naar Oxford halen en ik kan Basingame niet vinden. Hij probeerde te bedenken wie hij nog meer kon inschakelen. Hij had alle reisbureaus, gidsen en bootverhuurders in Schotland gebeld. Er was geen spoor van Basingame te vinden. Misschien had Montoya gelijk en was hij helemaal niet in Schotland, maar met een vriendin in de tropen.

Montoya. Hij had helemaal niet meer aan haar gedacht. Hij had haar sinds de dienst op kerstavond niet meer gezien. Toen was zij ook nog op zoek naar Basingame, want ze had zijn handtekening nodig om naar Skendgate te kunnen. De volgende dag had ze gebeld om te vragen of Basingame op forel of op zalm was. En tenslotte had ze nog gebeld om te zeggen dat hij geen moeite meer hoefde te doen. Dat zou kunnen betekenen dat ze niet alleen wist op welke vis Basingame was, maar ook waar de man zelf uithing.

Hij ging de trap op. Als Montoya Basingame had gevonden en zijn handtekening had gekregen, zou ze rechtstreeks naar de opgraving zijn gegaan, zonder tijd te verspillen met het iemand te vertellen. Wist ze eigenlijk wel dat hij ook op zoek was naar Basingame?

Als Montoya iets over de quarantaine had gezegd, zou Basingame ongetwijfeld meteen zijn teruggekomen, tenzij hij werd opgehouden door slecht weer of onbegaanbare wegen. Maar misschien had Montoya hem helemaal niets verteld. Ze was met haar gedachten helemaal bij de opgraving en daarom zou ze hem misschien alleen maar naar zijn handtekening hebben gevraagd.

Mevrouw Taylor was met de vier nog gezonde leden van haar koor en met Finch haar dans aan het oefenen. Finch keek op het papier dat hij in zijn hand hield en telde binnensmonds mee. ‘Ik wilde net het rooster bespreken met de vrijwilligers op de ziekenzaal,’ zei hij schaapachtig. ‘Dit is het rapport van William.’ Hij gaf het aan Dunworthy en haastte zich weg.

Taylor en haar viertal stopten de klokken in hun tassen. ‘Er heeft een mevrouw Wilson gebeld,’ zei Taylor. ‘Ze kan niet rechtstreeks toegang krijgen, zei ze, daarom moet het via de computer van Brasenose.’

‘Dank u,’ zei Dunworthy.

Ze ging naar buiten, in ganzenpas gevolgd door de vier anderen.

Hij belde naar Skendgate. Er werd niet opgenomen. Hij belde naar Montoya’s flat, naar haar kamer in Brasenose, opnieuw naar Skendgate. Nergens werd opgenomen. Hij probeerde haar flat nog een keer en liet de zoemer overgaan terwijl hij Williams verslag bekeek. Badri was de hele zaterdag en zondagochtend bij de opgraving geweest. Dat kon William alleen maar weten als hij Montoya had gesproken.