Dunworthy begon zich ineens af te vragen of Skendgate niet de haard van het virus kon zijn. Het dorp werd opgegraven op een boerderij van Monumentenzorg in de buurt van Witney. Misschien hielden ze daar eenden, kippen of varkens of alle drie. En Badri had er anderhalve dag in de modder gegraven, een uitstekende manier om met een oud virus in aanraking te komen.
Colin kwam binnen, helemaal doorweekt. ‘Er zijn geen posters meer,’ zei hij, in zijn tas rommelend. ‘Er komen er morgen nog meer uit Londen.’ Hij vond zijn toverbal en stopte die tegelijk met een paar pluisjes in zijn mond. ‘Weet u wie er hier op de trap staat?’ Hij ging op de vensterbank zitten en sloeg zijn boek over de middeleeuwen open. ‘William met een of andere meid. Ze staan elkaar helemaal af te lebberen. Ik kon er amper langs.’
Dunworthy deed de deur open. William maakte zich met tegenzin los van een kleine brunette in een Burberry-regenjas en ging naar binnen.
‘Weet u waar Montoya is?’ vroeg Dunworthy.
‘Nee. Volgens de Gezondheidsraad is ze in Skendgate, maar daar wordt niet opgenomen. Ze zal wel ergens bezig zijn op het kerkhof of de boerderij en dan hoort ze de telefoon niet. Ik had een luidspreker willen gebruiken, maar ik kende een meisje dat archeologie volgt en…’ Hij knikte in de richting van de kleine brunette. ‘Zij vertelde dat ze het rooster van de vrijwilligers had gezien en Badri heeft er zaterdag en zondag geholpen.’
‘Een luidspreker, zei je?’
‘Een apparaatje dat je aan de telefoon koppelt en dat het geluid van de zoemer aan de andere kant versterkt. Voor het geval de ander in de tuin bezig is of onder de douche staat.’
‘Kun je zo’n ding op mijn telefoon aansluiten?’
‘Ik heb geen verstand van die dingen, maar ik ken wel een studente die daar handig in is. Ik heb haar nummer op mijn kamer.’ Hij ging weg en nam de brunette bij de hand.
‘Als Montoya echt in Skendgate is, kan ik u er wel heen brengen,’ zei Colin. Hij nam de toverbal uit zijn mond en bestudeerde hem. ‘Fluitje van een cent. Er zijn een heleboel plekken die niet in de gaten worden gehouden. De politieagenten staan niet graag in de regen.’
‘Ik ben niet van plan de wet te overtreden,’ zei Dunworthy. ‘We proberen deze epidemie tot staan te brengen, niet te verspreiden.’
‘Zo ging het ook tijdens de Zwarte Dood,’ zei Colin. Hij draaide de toverbal om en om tussen zijn vingers. Het ding had een ziekelijk gele kleur. ‘De mensen vluchtten van de ene plaats naar de andere, maar daardoor namen ze de ziekte juist met zich mee.’
William stak zijn hoofd om de deur. ‘Ze zegt dat het wel twee dagen kost, maar als u wilt kunt u haar eigen toestel gebruiken. Daar zit een luidspreker op.’
Colin pakte zijn jack. ‘Mag ik mee?’
‘Nee,’ zei Dunworthy. ‘En trek die natte kleren uit, ik wil niet dat je ziek wordt.’ Hij ging met William mee de trap af.
‘Ze studeert aan Shrewsbury College,’ zei William, die door de regen naar de poort liep.
Colin haalde hen halverwege de binnenplaats in. ‘Ik kan niet ziek worden,’ zei hij, ‘ik heb mijn injectie gehad. Tijdens de Zwarte Dood was er geen quarantaine, daarom ging de ziekte overal heen.’ Hij haalde zijn sjaal uit zijn zak. ‘In Botley Road kun je makkelijk langs de wegversperring. Op de hoek heb je een pub en daar gaat de agent af en toe naar binnen om warm te worden.’
‘Doe je jack dicht,’ zei Dunworthy.
De studente bleek Polly Wilson te zijn. Ze vertelde dat ze bezig was aan een optisch signaal om in de computer van Brasenose in te breken, maar dat ze nog niet klaar was. Dunworthy belde naar Skendgate, waar niet werd opgenomen.
‘Laat maar bellen,’ zei Polly. ‘Misschien is ze een eind uit de buurt. De luidspreker heeft een bereik van vijfhonderd meter.’
Hij liet het toestel tien minuten overgaan, legde neer en probeerde het even later nog een kwartier lang. Polly keek verlangend naar William en Colin zat te rillen in zijn natte jack. Dunworthy nam hem mee naar zijn kamer en stuurde hem naar bed.
‘Ik kan ook alleen gaan en tegen haar zeggen dat ze u moet bellen,’ zei Colin, die de toverbal weer in zijn tas stopte. ‘Misschien vindt u dat u er te oud voor bent of zo. Ik kan erg goed ergens doorheen sluipen.’
Dunworthy wachtte tot William de volgende ochtend terugkwam en ging naar Shrewsbury om het nog een keer te proberen, maar zonder succes. ‘Ik zal hem zo instellen dat hij elk halfuur dat nummer belt,’ zei Polly, terwijl ze hem naar de poort bracht. ‘U weet zeker niet of William nog een andere vriendin heeft?’
‘Nee,’ zei Dunworthy.
Plotseling klonk klokgelui uit de richting van Christ Church, helder opklinkend in de regen. ‘Hebben ze dat vreselijke carillon weer aangezet?’ vroeg Polly, die haar hoofd naar buiten stak om te luisteren.
‘Nee,’ zei hij, ‘dat zijn de Amerikanen.’ Hij hield zijn hoofd schuin en probeerde vast te stellen of Taylor toch maar voor Stedmans had gekozen, maar hij hoorde wel degelijk de zes oude klokken van Osney: Douce, Gabriel en Marie, de een na de ander, Clement en Hautclerc en Taylor. ‘En Finch doet mee.’
Het klonk opmerkelijk goed, heel anders dan het digitale carillon of ‘O Christus, die met de wereld communiceert’. Het was een duidelijk en vrolijk geluid. Dunworthy kon het koor bijna voor zich zien, dansend in de klokketoren terwijl Finch op zijn papier keek om in de maat te blijven.
‘Het bespelen van de klok moet zonder onderbreking geschieden,’ had Taylor gezegd. Zelf had hij alleen maar onderbrekingen meegemaakt, maar door de muziek voelde hij zich toch opgewekter. Taylor had het optreden op kerstavond in Norwich moeten afzeggen, maar ze had de moed niet opgegeven en nu gaf ze een even oorverdovende als feestelijke uitvoering, alsof ze een overwinning had te vieren. Dit was de echte kerstsfeer. Ja, hij zou Montoya en Basingame wel vinden. Of een ingenieur die niet bang was om naar Oxford te komen. En hij zou Kivrin vinden.
De telefoon rinkelde toen hij terugkwam in Balliol. Hij rende de trap op in de hoop dat het Polly was die belde. Het was Montoya.
‘Dunworthy?’ zei ze. ‘Hoi. Met Lupe Montoya. Wat is er aan de hand?’
‘Waar zit u?’ vroeg hij bozig.
‘In Skendgate,’ zei ze, maar dat had hij al gezien. Ze stond voor de half opgegraven ruïne van de kerk. Hij zag ook waarom ze zo graag terug had gewild. Overal stonden grote plassen. Montoya had dekkleden en plasteenlakens opgehangen, maar de regen drong door de kieren en gaten en stroomde er bij de hoeken vanaf. Alles zat onder de modder: de grafstenen, de lampen die ze had opgehangen, de spaden die tegen de muur stonden.
Ook Montoya zat onder de modder. Ze had haar kapersjack aan en heuplaarzen die Basingame op zijn vistochtje wel zou kunnen gebruiken, alles even nat en vuil. Een modderig korstje bedekte de hand waarmee ze de telefoon vasthield.
‘Ik probeer u al dagen te bereiken,’ zei Dunworthy.
‘Door de pomp hoor ik de telefoon niet.’ Ze gebaarde naar iets buiten beeld, vermoedelijk de pomp, hoewel hij niets anders hoorde dan het gekletter van de regen op de dekkleden. ‘De riem is net gebroken en ik heb geen reserve. Ik hoorde de klokken luiden. Is de quarantaine opgeheven?’
‘Dat lijkt me niet,’ zei hij. ‘Het is een echte epidemie, zevenhonderdtachtig zieken en zestien doden. Hebt u de krant niet gelezen?’
‘Ik heb niets of niemand gezien sinds ik hier ben. Ik probeer al zes dagen de boel een beetje droog te houden, maar dat lukt me niet in mijn eentje. En nu heeft de pomp het ook nog begeven.’ Ze wreef met een vuile hand haar dikke zwarte haar uit haar gezicht. ‘Als de quarantaine nog van kracht is, waarom worden de klokken dan geluid?’
‘Dat is een uitvoering van de Chicago Surprise Minor.’