Ze keek hem geërgerd aan. ‘Als het bij jullie zo erg is, waarom maken ze zich dan niet nuttig?’
Dat doen ze, dacht hij. Ze hebben jou laten bellen.
‘Anders kan ik ze hier wel gebruiken.’ Ze duwde haar haar weer naar achteren. Ze zag er bijna net zo moe uit als Mary. ‘Ik had nog wel zo gehoopt dat het voorbij was, dan had ik meer mensen kunnen laten komen om me te helpen. Hoe lang gaat het nog duren, denkt u?’
Hij keek naar een kleine waterval die over de rand van een dekkleed stroomde. Veel te lang, dacht hij. Je krijgt nooit meer op tijd hulp.
‘Ik moet iets weten over Basingame en Badri Chaudhuri,’ zei hij. ‘We proberen de bron van het virus op te sporen en daarom moeten we weten met wie Badri in aanraking is geweest. Hij is de achttiende en de ochtend van de negentiende bij u geweest. Wie waren er toen nog meer?’
‘Ik.’
‘En verder?’
‘Niemand. Ik heb heel december bijna geen hulp kunnen krijgen. Alle studenten archeologie zijn meteen met vakantie gegaan en ik kon maar af en toe een vrijwilliger vinden.’
‘Weet u zeker dat u en Badri de enigen waren?’
‘Ja. Ik weet het nog omdat we zaterdag de graftombe van de ridder openden en we zoveel moeite hadden om het deksel op te tillen. Gillian Ledbetter had zaterdag moeten komen, maar ze belde op het laatste moment af. Ze had een afspraakje, zei ze.’
Met William, dacht Dunworthy. ‘Waren er zondag nog andere mensen?’
‘Badri was er alleen ’s ochtends en er was niemand anders bij. Hij moest naar Londen. Ik moet trouwens weer aan de slag. Als ik niet gauw hulp krijg, sta ik er helemaal alleen voor.’ Ze wilde neerleggen.
‘Wacht!’ riep Dunworthy. ‘Nog niet ophangen!’
Ongeduldig bracht ze de hoorn weer naar haar oor.
‘Ik moet u nog een paar vragen stellen. Het is erg belangrijk. Hoe eerder we de bron van het virus vinden, des te sneller wordt de quarantaine opgeheven en kunt u er andere mensen bijhalen.’
Ze leek niet erg overtuigd, maar ze tikte een code in en legde de hoorn neer. ‘Ik kan toch wel doorwerken terwijl we praten?’
‘Ga uw gang,’ zei Dunworthy opgelucht.
Ze verdween uit beeld, kwam prompt weer terug en tikte een andere code in. ‘Sorry, de draad is niet lang genoeg.’ Het scherm werd leeg terwijl ze het toestel meenam naar een andere plek. Toen het beeld werd hersteld, zat Montoya op haar hurken in een kuil bij een stenen graftombe. Dat moest de tombe zijn waarvan zij en Badri het deksel bijna hadden laten vallen.
In het deksel was de beeltenis van een ridder in volle wapenrusting uitgehouwen, met gekruiste armen over zijn maliënkolder, zijn zware handschoenen op zijn schouders en een zwaard aan zijn voeten. Het stond schuin tegen de zijkant van de tombe, waardoor hij van de sierlijk ingesneden tekst alleen ‘Requiesc…’ kon lezen. Requiescat in pace, rust in vrede, iets wat de ridder niet werd gegund. Het slapende gezicht onder de helm had een afkeurende uitdrukking.
Montoya had een dun stuk plastic over het graf gelegd, dat glinsterde van het water. Dunworthy vroeg zich af of er aan de andere zijkant net zo’n voorstelling van de dood te zien was als in het boek dat hij aan Colin had gegeven en of die even naargeestig was als de werkelijkheid. De regen droop onophoudelijk neer en het plastic begon door te zakken.
Montoya ging rechtop staan, een plat kistje vol modder in haar handen. Ze legde het op een hoek van de tombe. ‘En? U zei dat u nog iets wilde vragen.’
‘Ja,’ zei hij. ‘Er was dus niemand anders dan Badri om u te helpen?’
‘Nee.’ Ze veegde het zweet van haar voorhoofd. ‘Wat is het hier benauwd, zeg.’ Ze deed haar kapersjack uit en legde het over de rand van het deksel.
‘Was er ook niemand uit de buurt een kijkje komen nemen?’
‘Nee, dan had ik ze wel laten graven.’ Ze begon in het kistje te zoeken en haalde er een paar bruine stenen uit. ‘Het deksel was loodzwaar en toen we het eraf hadden, begon het te regenen. Ik zou elke voorbijganger hebben ingeschakeld, maar het is hier te afgelegen.’
‘En de mensen van Monumentenzorg?’
Ze hield de stenen onder een straaltje water om ze schoon te maken. ‘Die zijn hier alleen ’s zomers.’
Hij had gehoopt dat iemand van Skendgate de haard van de besmetting zou zijn, een boer of een eendenjager of iemand van Monumentenzorg. Maar myxovirussen werden niet door dragers overgebracht. De onbekende zou zelf ziek moeten zijn geworden en Mary had alle ziekenhuizen en huisartsen in Engeland gewaarschuwd. Alle ziektegevallen hadden zich in het afgezette gebied voorgedaan.
Montoya bekeek de stenen een voor een in het licht van een lamp die aan een stutbalk was opgehangen en draaide ze rond om ze goed te kunnen bestuderen.
‘En vogels?’
‘Vogels?’ zei ze, alsof hij bedoelde dat ze overvliegende mussen kon vragen het deksel van de tombe te versjouwen.
‘Het virus kan door vogels zijn overgebracht. Eenden, ganzen, kippen,’ zei hij, hoewel hij van die kippen niet zeker was. ‘Zijn die daar in de buurt?’
‘Kippen?’ zei ze, een van de stenen tegen het licht houdend.
‘Sommige virussen zijn kruisingen van dierlijke en menselijke varianten,’ zei hij. ‘Vogels komen het eerst in aanmerking, maar het kunnen ook vissen zijn. Of varkens. Zijn er daar varkens?’
Ze keek hem aan alsof ze dacht dat hij krankzinnig was geworden.
‘U zit toch op een boerderij van Monumentenzorg?’
‘Ja, maar de boerderij zelf is drie kilometer hiervandaan. We zitten midden in een akker waar gerst wordt verbouwd. Varkens zijn er hier niet, net zomin als vogels of vissen.’ Ze concentreerde zich weer op de stenen.
Geen vogels, geen vissen, geen voorbijgangers. Het virus kwam dus niet uit Skendgate. Misschien was er helemaal geen reservoir, misschien had Badri’s influenzavirus een spontane mutatie ondergaan, wat volgens Mary wel eens vaker voorkwam, en had de ziekte Oxford getroffen zoals de pest de argeloze bewoners van dat middeleeuwse dorp had overvallen.
Montoya hield een steen tegen het licht, krabde met haar nagels wat modder weg en wreef over het oppervlak. Plotseling zag hij dat het geen steen was, maar een stuk bot. Het zou een voetbotje van de ridder kunnen zijn. Requiescat in pace.
Blijkbaar had ze gevonden wat ze zocht, een onregelmatig bot ter grootte van een walnoot, met een ronde zijkant. Ze gooide de rest terug in de bak, zocht in haar jaszak naar een tandenborstel met een kort handvat en begon fronsend de ronde randen te poetsen.
Gilchrist zou nooit spontane mutatie als een bron accepteren. Hij was te zeer gesteld op de theorie dat een of ander veertiende-eeuws virus door het net was gekomen. En hij was te zeer gesteld op zijn gezag als waarnemend hoofd van Geschiedenis om zijn theorie te laten varen. Zelfs als Dunworthy eenden had zien zwemmen in de plassen op het kerkhof.
‘Ik moet Basingame te spreken krijgen,’ zei hij. ‘Waar is hij?’
‘Basingame?’ zei ze, nog steeds met een frons naar het bot kijkend. ‘Ik heb geen flauw idee.’
‘Maar… Ik dacht dat u hem gevonden had. Toen u mij met de kerst belde, zei u dat u hem nodig had om toestemming van de Gezondheidsraad te krijgen.’
‘Ja, dat weet ik. Ik heb twee dagen lang iedere forel- en zalmgids in Schotland gebeld voordat ik besloot dat ik niet langer meer kon wachten. Als je het mij vraagt, zit hij helemaal niet in Schotland.’ Ze haalde een zakmes uit haar spijkerbroek en begon de ruwe kant van het bot af te krabben. ‘Nu we het toch over de Gezondheidsraad hebben, zou u iets voor me willen doen? Ik probeer ze continu te bereiken, maar de lijn is steeds bezet. Zou u ernaartoe kunnen gaan om ze te vertellen dat ik hulp nodig heb? Zeg maar dat deze opgraving van onschatbaar historisch belang is en dat alles onherroepelijk verloren gaat als ze mij niet minstens vijf mensen sturen. En een pomp.’ Het mes bleef hangen. Ze fronste en krabde verder.