‘Hoe hebt u Basingames toestemming gekregen als u niet wist waar hij was? Ik dacht dat u zei dat het formulier door hem ondertekend moest worden.’
‘Dat klopt,’ zei ze. Een stukje bot schoot plotseling weg en kwam terecht op de plasteenlakens. Ze bekeek het bot onderzoekend en liet het in het kistje vallen, haar frons was verdwenen. ‘Ik heb zijn handtekening vervalst.’
Ze knielde weer bij de tombe en groef verder naar botten. Ze zag er even geconcentreerd uit als Colin wanneer hij zijn toverbal bestudeerde. Hij vroeg zich af of ze nog wist dat Kivrin in het verleden was, of dat ze haar was vergeten zoals ze de epidemie scheen te zijn vergeten.
Hij hing op en vroeg zich af of Montoya het wel zou merken. Daarna ging hij terug naar het ziekenhuis om Mary te vertellen wat hij had ontdekt en om de secundaire contacten opnieuw te ondervragen in de hoop de bron te achterhalen. Het regende hard, water stroomde uit de afvoerpijpen en spoelde zaken van onschatbare historische waarde weg.
Het bellenkoor inclusief Finch was nog steeds in de weer. Ze speelden de verschillende modulaties achter elkaar in hun vastgestelde volgorde, net als Montoya door hun knieën zakkend, zich vasthoudend aan hun klokken. Het geluid galmde door de regen, hard en beklemmend als een alarm, als een schreeuw om hulp.
Kerstavond 1320 (Oude Stijl). Ik heb niet zoveel tijd als ik dacht. Toen ik daarnet terugkwam uit de keuken, zei Rosemund dat vrouwe Imeyne me wilde spreken. Ze was diep in een ernstig gesprek gewikkeld met de gezant van de bisschop en ik veronderstelde op grond van haar gezichtsuitdrukking dat ze de zonden van Vader Roche aan het inventariseren was. Toen Rosemund en ik echter naderden, wees ze naar mij en sprak: ‘Dat is de vrouw over wie ik het had.’
Vrouw, niet maagd, en haar toon was kritisch, beschuldigend bijna. Ik vroeg me af of ze de bisschop had verteld over haar theorie dat ik een Franse spionne ben.
‘Ze zegt dat ze zich niets kan herinneren,’ zei vrouwe Imeyne, ‘niettemin kan ze spreken en lezen.’ Ze richtte zich tot Rosemund. ‘Waar is je broche?’
‘Op mijn mantel,’ zei Rosemund. ‘Die heb ik op de bovenkamer gelegd.’
‘Ga hem halen.’
Rosemund verliet met tegenzin de zaal. Zodra ze weg was zei Imeyne: ‘Heer Bloet heeft mijn kleindochter een broche met een liefdeknoop gegeven, met woorden erop in de Romeinse taal.’ Ze keek triomfantelijk naar mij. ‘Zij heeft ze vertaald en vannacht in de kerk sprak ze de woorden van de mis, nog voordat de priester ze had gezegd.’
‘Wie heeft je lezen geleerd?’ vroeg de gezant van de bisschop, wiens stem door de wijn wat onvast was geworden.
Ik dacht erover te zeggen dat heer Bloet mij de betekenis van de woorden had onthuld, maar ik was bang dat hij dit inmiddels al ontkend had. ‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Ik kan mij niets meer herinneren sinds ik belaagd ben in het bos, want ik ben op mijn hoofd geslagen.’
‘Toen ze bijkwam sprak ze een taal die niemand kon verstaan,’ zei Imeyne, alsof dat nieuw bewijsmateriaal was, maar ik had geen idee waarvan ze mij wilde beschuldigen, noch wat de gezant hiermee te maken had.
‘Heilige Vader, vertrekt u naar Oxenford wanneer u ons verlaat?’ wilde ze van hem weten.
‘Ja,’ zei hij met een vermoeid klinkende stem. ‘Wij kunnen hier slechts enkele dagen blijven.’
‘Ik zou graag willen dat u haar met u meeneemt naar de goede zusters in Godstow.’
‘Wij gaan niet naar Godstow,’ zei hij en het was duidelijk een smoes. Het klooster was nauwelijks vijf mijlen van Oxford verwijderd. ‘Maar ik zal bij de bisschop informeren naar nieuws over de vrouw en op mijn terugkeer zal ik u bericht zenden.’
‘Ik ben er zeker van dat ze een non is, want ze spreekt Latijn en kent de tekst van de mis,’ zei Imeyne. ‘Ik had graag dat u haar naar hun klooster brengt, zodat ze bij de nonnen kunnen vragen wie ze is.’
De gezant van de bisschop zag er nog zenuwachtiger uit, maar hij stemde toe. Dus ik heb de tijd totdat ze vertrekken. Enkele dagen, zei de gezant, en met enig geluk zullen ze pas na Onnozele-kinderendag op weg gaan. Maar nu ga ik Agnes naar bed brengen en ik wil zo snel mogelijk met Gawyn spreken.
22
Kivrin kreeg Agnes pas in bed toen het bijna licht was. Door de komst van de ‘drie koningen’, zoals het meisje ze bleef noemen, was ze weer helemaal wakker geworden en vastbesloten niets te missen, ook al was ze nog zo moe.
Ze zeurde voortdurend om eten terwijl Kivrin en Eliwys de schotels voor de gasten naar binnen brachten, maar toen de tafels eindelijk gedekt waren en het feest kon beginnen, weigerde ze ook maar iets te nemen.
Kivrin had geen tijd om haar bestraffend toe te spreken. De ene gang na de andere moest uit de keuken aan de andere kant van de binnenplaats gebracht worden, schotels met wildbraad en varkensvlees en een enorme taart waarin een stripteasedanseres zich gemakkelijk had kunnen verbergen. Volgens de priester van de Heilige Hervormden werd er tot de hoogmis op kerstochtend gevast, maar iedereen deed zich te goed aan de gebraden fazant en aan het in saffraansaus gesmoorde konijn, ook de gezant van de bisschop. En drinken deden ze ook, de ‘drie koningen’ riepen telkens om meer wijn.
Ze hadden al meer dan genoeg gehad. De monnik zat naar Maisry te gluren en de klerk lag bijna onder de tafel. De gezant was nog de zwaarste drinker van het stel, na elke beker zwaaide hij uitbundig naar Rosemund om te beduiden dat ze de karaf met wijn moest brengen.
Kivrin hoopte dat hij door de drank zou vergeten dat hij haar van vrouw Imeyne naar het klooster in Godstow moest brengen. Ze ging met de karaf naar Gawyn, in de hoop dat ze hem onder vier ogen kon spreken, maar hij zat te praten met het gevolg van heer Bloet en vroeg om bier en vlees. Agnes was inmiddels in slaap gevallen, met haar gezicht bijna in haar eten. Kivrin pakte haar voorzichtig op en droeg haar naar boven.
De deur van Rosemunds kamer ging open. ‘Vrouwe Katherine,’ zei Eliwys, haar armen vol beddegoed. ‘Ik ben blij dat u er bent. U kunt me helpen.’
Agnes kreunde.
‘Haal de linnen lakens van de bovenkamer,’ zei Eliwys. ‘De geestelijken slapen in Rosemunds bed en de zuster van heer Bloet en haar gezelschap op de bovenkamer.’
‘Waar moet ik dan slapen?’ Agnes bevrijdde zich uit Kivrins armen.
‘Wij slapen in de schuur,’ zei Eliwys. ‘Maar de bedden zijn nog niet opgemaakt, Agnes. Ga maar spelen.’
Agnes liet het zich geen twee keer zeggen. Ze huppelde de trap af en zwaaide met haar arm om haar bel te laten rinkelen.
Eliwys gaf het beddegoed aan Kivrin. ‘Breng dit naar de zolderkamer en haal de bontsprei uit de grote kist.’
‘Hoe lang blijft de gezant van de bisschop hier?’ vroeg Kivrin.
‘Ik weet het niet,’ zei Eliwys zorgelijk. ‘Ik hoop dat het niet langer dan twee weken is, anders hebben we geen vlees meer. Vergeet de kussens niet.’
Twee weken zou ruimschoots genoeg zijn om het rendez-vous te halen en zo te zien ging de gezant van de bisschop voorlopig nergens heen. Toen Kivrin met het linnengoed naar beneden kwam, zat hij in de hoge stoel te snurken en lag de klerk languit met zijn voeten op tafel. De monnik had een dienstmaagd van heer Bloet mee naar een hoek genomen en speelde met haar hoofddoek. Gawyn was nergens te zien.
Kivrin ging naar Eliwys en vroeg of ze het beddegoed naar de schuur kon brengen. ‘Agnes is erg moe,’ zei ze. ‘Ik zal haar in bed stoppen.’
Eliwys knikte afwezig terwijl ze een van de zware kussens uitschudde. Kivrin haastte zich naar buiten. Gawyn was niet in de stal en evenmin in de bierkelder. Ze hield een tijdje de wacht bij het privaat, maar alleen twee van de roodharige jonge mannen kwamen naar buiten en keken haar bevreemd aan. Ze ging terug naar de schuur. Misschien was Gawyn ergens anders heen gegaan met Maisry of vierde hij feest met de dorpelingen. Ze hoorde gelach terwijl ze stro op de kale planken uitstrooide.