Kivrin had geen gelegenheid voorbij laten gaan door in slaap te vallen en zo te zien zou ze de eerste tijd ook geen kans krijgen om Gawyn onder vier ogen te spreken. Ze had net zo goed bij Agnes op de hooizolder kunnen blijven. Ze zou zelf het initiatief moeten nemen door Gawyn aan te schieten als hij naar het privaat of naar de kerk ging en vragen of hij na afloop naar de stal wilde komen.
De geestelijken waren blijkbaar niet van plan te gaan slapen voordat ze alle wijn hadden opgedronken, maar Kivrin kon zich niet veroorloven nog veel langer te wachten. Misschien gingen de mannen morgen wel op jacht of sloeg het weer om. Of de gezant en zijn slippendragers nu vertrokken of niet, het was nog maar vijf dagen tot het rendez-vous. Nee, vier. Het was al Kerstmis.
‘Hij trok zijn zwaard,’ zei Gawyn, die opstond om zijn verhaal met brede gebaren te onderstrepen, ‘en haalde uit om mijn hoofd in tweeën te splijten.’
‘Vrouwe Katherine,’ zei Imeyne. Ze was opgestaan en wenkte Kivrin. De gezant keek oplettend naar Kivrin en ze voelde haar hart bonken. Ze vroeg zich af wat die twee nu weer hadden bedacht, maar voordat ze naar hen toe kon gaan kwam Imeyne al op haar af met in haar hand een linnen doek.
‘Breng deze naar Vader Roche voor de mis,’ zei Imeyne. Ze vouwde de doek open en liet Kivrin een paar waskaarsen zien. ‘Zeg dat hij ze dit keer op het altaar moet zetten en dat hij ze niet mag uitknijpen, want dan breekt de pit. De gezant van de bisschop zal de mis opdragen. Laat hem de kerk inrichten als een tempel van de Heer, niet als een varkensstal. En laat hem een schoon kazuifel aantrekken.’
Dan krijgt ze toch nog een behoorlijke mis, dacht Kivrin, terwijl ze zich over het paadje in de richting van de kerk haastte. Mij is ze al kwijt, misschien krijgt ze de gezant ook nog zover dat hij Vader Roche meeneemt naar het klooster in Bicester.
Het open veld was verlaten. Het vreugdevuur gloeide nog wat na in het grijze daglicht en de gesmolten sneeuw eromheen begon alweer te bevriezen. De dorpelingen waren naar hun hutten gegaan en ze vroeg zich af of Vader Roche ook was gaan slapen, maar er kwam geen rook uit zijn woning en de deur werd niet geopend toen ze aanklopte. Ze volgde het pad naar de zijdeur van de kerk en ging naar binnen. Het was nog steeds stikdonker, en kouder dan tijdens de nachtmis.
‘Vader Roche?’ riep Kivrin zachtjes. Tastend zocht ze haar weg naar het beeld van Sinte Katherine.
Hij gaf geen antwoord, maar ze hoorde hem zacht bidden. Hij lag achter het koorhek op zijn knieën bij het altaar.
‘Voer hen die van ver zijn gekomen veilig terug naar huis en behoed hen voor gevaar en ziekte,’ zei hij. Ze moest denken aan die eerste nacht, toen ze zo ziek was geweest en zijn stem als een geruststellend baken tussen de vlammen had geklonken. En aan meneer Dunworthy. Zwijgend leunde ze tegen het ijskoude stenen beeld en luisterde naar zijn stem in het donker.
‘Heer Bloet is met zijn familie en al zijn bedienden uit Courcy gekomen om de mis bij te wonen,’ zei hij, ‘en Theodulf Freeman uit Henefelde. Het hield gisteravond op met sneeuwen en de lucht klaarde op voor de viering van Christus’ heilige geboorte.’ Hij klonk even zakelijk als Kivrin met haar recorder; wie er allemaal bij de mis waren geweest en het weerbericht.
Er viel nu wat licht door de ramen en ze kon Vader Roche zien door de spijlen van het koorhek, met zijn versleten en vuile mantel en zijn gezicht dat een grove en wrede uitdrukking had in vergelijking met de aristocratische gezichten van de gezant en de schrijver.
‘Aan het eind van deze gezegende nacht kwam een afgezant van de bisschop, vergezeld door twee geestelijken, alle drie mannen van grote geleerdheid en goedheid,’ zei Roche.
Laat je niet voor de gek houden door hun sieraden en hun fijne gewaden, dacht Kivrin. Jij bent tien van zulke lui waard. Imeyne had gezegd dat de gezant de mis zou opdragen, niet in het minst gehinderd door het feit dat de geestelijke niet had gevast en niet de moeite had genomen naar de kerk te gaan om de mis voor te bereiden. Jij bent vijftig van zulke lui waard, dacht Kivrin. Honderd.
‘Men zegt dat er ziekte heerst in Oxenford. Met Tord gaat het beter, maar ik heb hem gevraagd niet helemaal naar de kerk te komen voor de mis. Uctreda was te zwak om te komen. Ik heb haar soep gebracht, maar ze wilde niet eten. Walthef moest overgeven na al het drinken en dansen. Gytha brandde haar vingers toen ze een tak uit het vreugdevuur wilde halen. Ik zal niet bevreesd zijn, ook al zijn dit de dagen van toorn en van oordeel, want U heeft een grote hulp gezonden.
Een grote hulp? Hij zou weinig aan haar hebben als ze daar nog veel langer bleef staan. De zon was opgekomen en in het roze en gele licht zag Kivrin de was die op de kaarsen en op het altaarkleed was gestold en aangekoekt. Als Imeyne dit zou zien, zouden het inderdaad de dagen van toorn en van oordeel worden.
‘Vader Roche,’ zei Kivrin.
Roche draaide zich meteen om en kwam moeizaam overeind, zijn benen waren verstijfd van de kou. Hij zag er geschrokken en zelfs angstig uit.
‘Ik ben het, Katherine,’ zei Kivrin snel. Ze ging in het licht bij een van de ramen staan zodat hij haar kon zien.
Hij maakte een kruisteken zonder dat de angstige uitdrukking op zijn gezicht verdween en ze vroeg zich af of hij nog half in slaap was geweest toen hij zat te bidden.
‘Vrouwe Imeyne stuurt me met deze kaarsen.’ Ze liep langs het koorhek naar hem toe. ‘Ze vraagt of u ze in de zilveren kandelaars op het altaar wil zetten en of…’ Ze zweeg, beschaamd dat ze zich door Imeyne als instrument liet gebruiken. ‘Ik kom u helpen de kerk in te richten voor de mis. Wat kan ik doen? Zal ik de kandelaars schoonmaken?’ Ze hield hem de kaarsen voor.
Hij nam ze niet aan en gaf ook geen antwoord. Fronsend vroeg ze zich af of ze een of ander voorschrift had overtreden in haar ijver om hem te helpen. Vrouwen werden niet geacht het brood en de wijn voor de mis aan te raken, misschien gold dat ook voor de kandelaars.
‘Kan ik u niet helpen?’ vroeg ze. ‘Of mag ik niet in het koor komen?’
Roche leek plotseling bij zinnen te komen. ‘Gods dienaren mogen overal gaan,’ zei hij. Hij nam de kaarsen van haar aan en legde ze op het altaar. ‘Maar iemand als u hoort geen nederig werk te doen.’
‘Het is werk voor God,’ zei ze op besliste toon. Ze haalde de half opgebrande kaarsen uit een zware kandelaar. De zijkanten waren bedekt met gestolde was. ‘We hebben zand nodig,’ zei ze, ‘en een mes om de was eraf te schrapen.’
Hij ging meteen weg en Kivrin maakte van de gelegenheid gebruik om Imeynes kaarsen in de kandelaars op het koorhek te zetten.
Roche kwam terug met wat zand, een stel vuile doeken en iets wat voor een mes moest doorgaan. Kivrin begon snel de aangekoekte was op het altaarkleed weg te schrapen, bang dat ze niet op tijd klaar zouden zijn. De gezant van de bisschop had nog geen aanstalten gemaakt om zich uit zijn hoge stoel te verheffen en naar de kerk te gaan, maar je wist nooit hoe lang hij Imeyne kon weerstaan.
Ik heb hier ook geen tijd voor, dacht ze, terwijl ze de kandelaars begon schoon te maken. Ze had de hele avond geprobeerd Gawyn onder vier ogen te spreken, maar ze was geen moment zelfs maar bij hem in de buurt gekomen. Hij zou wel kunnen gaan jagen, of op zoek gaan naar andere schone maagden die hij kon redden, of de gezant van de bisschop kon besluiten weg te gaan en haar mee te nemen als alle wijn op was.
Volgens Roche mochten Gods dienaren overal gaan, maar dat gold niet voor het rendez-vous. En naar huis kon ze blijkbaar ook niet.
Ze wreef driftig met het natte zand over de was die in de kom van de kandelaar was blijven zitten. Een stukje was brak af en vloog tegen de kandelaar die Roche aan het schoonmaken was. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze. ‘Vrouwe Imeyne…’ Ze zweeg.