Het had geen zin hem te vertellen dat Imeyne haar wilde wegsturen. Hij zou het alleen maar erger maken als hij een goed woordje voor haar deed en ze wilde niet dat hij om harentwil naar Osney gestuurd zou worden.
Roche keek haar afwachtend aan. ‘Vrouwe Imeyne zei dat de gezant van de bisschop de mis zal opdragen,’ zei ze.
Hij zette de glanzende kelk neer. ‘Het zal een vreugde zijn naar hem te luisteren op deze geboortedag van Christus Jezus.’
De geboortedag van Christus Jezus. Ze dacht aan St. Mary the Virgin op kerstochtend, met de muziek en de warmte en de laserkaarsen die in de roestvrijstalen kandelaars gloeiden, maar het beeld was even vaag en onwezenlijk als een visioen.
Ze zette de kandelaars aan de uiteinden van het altaar. Ze glansden dof in het bonte licht dat door de ramen naar binnen viel. Ze stak in elk ervan drie van Imeynes waskaarsen.
Kivrin kon niets verbeteren aan Roches mantel, want een andere had hij niet, zoals Imeyne heel goed wist. Ze veegde met haar hand wat nat zand van zijn mouw.
‘Ik moet Agnes en Rosemund voor de mis gaan wekken,’ zei ze, de voorkant van zijn mantel afkloppend. Ongewild voegde ze eraan toe: ‘Vrouwe Imeyne heeft de gezant van de bisschop gevraagd mij naar het nonnenklooster in Godstow te brengen.’
‘God heeft u hierheen gezonden om ons te helpen,’ zei Roche. ‘Hij zal niet toestaan dat u wordt weggestuurd.’
Ik wou dat ik het kon geloven, dacht Kivrin, terwijl ze terugliep over het veld. Er was nog steeds niemand te zien, maar uit sommige hutten kwam rook en de koe was vrijgelaten. Het dier graasde in het gras dicht bij het smeulende vuur. Misschien zijn ze allemaal in slaap gevallen en kan ik Gawyn wakker maken om hem naar de open plek te vragen, dacht ze. Op hetzelfde moment zag ze Agnes en Rosemund naar zich toe komen. De meisjes zagen er verfomfaaid uit. Rosemunds bladgroene fluwelen kleed en Agnes’ haar waren bezaaid met strootjes en stof. Agnes maakte zich meteen van haar zuster los en rende op Kivrin af.
‘Jij hoort nog te slapen,’ zei Kivrin. Ze veegde het stro van Agnes’ rode kleed.
‘Een paar mannen kwamen ons wekken,’ zei Agnes.
Kivrin keek vragend naar Rosemund. ‘Is je vader gekomen?’
‘Nee, ik weet niet wie ze zijn. Bedienden van de gezant, denk ik.’
Dat was ook zo. Het waren vier monniken, zij het niet zo hooggeplaatst als de cisterciënzer, die met twee zwaarbepakte ezels achterop waren gekomen. Terwijl Kivrin en de meisjes toekeken, laadden ze twee grote kisten, een paar haveloze zakken en een reusachtig wijnvat af.
‘Ze willen zeker een hele tijd blijven,’ zei Agnes.
‘Ja,’ zei Kivrin. God heeft u hierheen gezonden. Hij zal niet toestaan dat u wordt weggestuurd. ‘Kom,’ zei ze vrolijk. ‘Ik zal je haar borstelen.’
Ze nam Agnes mee naar binnen om haar uiterlijk te fatsoeneren. Het kind had te kort geslapen om uitgerust te zijn en ze weigerde stil te staan om haar haar te laten borstelen. De klok voor de mis werd geluid voordat Kivrin alle strootjes en klitten eruit had gekregen en Agnes bleef onderweg naar de kerk voortdurend dreinen.
De monniken hadden behalve wijn ook kleding meegebracht, want de gezant droeg een zwarte fluwelen kazuifel over zijn oogverblindend witte gewaad en de cisterciënzer zag er prachtig uit in zijn met brokaat versierde mantel. De klerk was nergens te zien, net zomin als Vader Roche, die vermoedelijk was verbannen vanwege zijn vuile mantel. Kivrin keek over haar schouder om te zien of hij ergens achter in de kerk stond, maar ze kon hem tussen de dorpelingen niet ontdekken.
De meeste kerkgangers hadden zo te zien weinig slaap gehad en sommigen hadden blijkbaar een zware kater. Dat gold ook voor de gezant van de bisschop. Hij raffelde de mis af op een vlakke toon en met een tongval die Kivrin nauwelijks kon verstaan. Het leek niet op het Latijn van Vader Roche en ook niet op wat ze van Latimer en de priester van de Heilige Hervormden had geleerd. Die hadden nog wel zo hun best gedaan haar het ‘echte Latijn’ bij te brengen. Vader Roche, die had echt Latijn gesproken. Ze had hem begrepen.
De gezant begon tijdens de mis steeds sneller te praten, alsof hij er zo snel mogelijk vanaf wilde zijn. Vrouwe Imeyne scheen het niet te merken. Ze keek voldaan rond in de wetenschap dat dit moois aan haar te danken was en ze knikte goedkeurend tijdens de preek, die was gewijd aan het verzaken van de wereld.
Maar toen iedereen na afloop naar buiten ging, bleef ze bij de deur staan en keek met samengeperste lippen naar de klokketoren. Wat nu weer? dacht Kivrin. Heeft ze een stofje op de klok ontdekt?
‘Heeft u gezien hoe de kerk eruitzag, vrouwe Yvolde?’ vroeg Imeyne boven het klokgelui boos aan de zuster van heer Bloet. ‘Hij had geen kaarsen in de vensternissen van het koor gezet, er waren alleen flambouwen. Het is gewoon een pummel.’ Ze bleef staan. ‘Ik moet met hem praten. Hij heeft ons voor de bisschop te schande gemaakt.’
Met een blik vol zelfgenoegzame woede stampte ze weg in de richting van de toren. Ook al had Roche kaarsen in de nissen gezet, dacht Kivrin, dan waren het weer de verkeerde geweest. Of hij had ze niet op de juiste manier gedoofd. Ze had hem graag gewaarschuwd, maar Imeyne was al bijna bij de toren en Agnes probeerde Kivrin ongeduldig mee te trekken.
‘Ik ben moe,’ zei ze. ‘Ik wil gaan slapen.’
Kivrin nam haar mee naar de schuur. Het open veld was in beslag genomen door de dorpelingen, die het feest van de vorige avond wilden voortzetten. Het vreugdevuur was weer aangestoken en een stel jonge vrouwen danste er in een kring omheen. Agnes ging gewillig op de hooizolder liggen, maar voordat Kivrin de voorhof was overgestoken hoorde ze het meisje alweer achter zich aan komen.
‘Agnes!’ zei Kivrin, met haar handen op haar heupen. ‘Wat doe je nou? Je zei dat je moe was.’
‘Blackie is ziek.’
‘Ziek?’ zei Kivrin. ‘Wat heeft hij dan?’
‘Hij is ziek,’ herhaalde Agnes. Ze pakte Kivrin bij een hand en nam haar mee terug naar de hooizolder. Blackie lag levenloos in het stro. ‘Wil jij zalf voor hem maken?’
Kivrin pakte het hondje op en legde het meteen weer neer. Het was al verstijfd. ‘Ach, Agnes, ik ben bang dat hij dood is.’
Agnes ging op haar hurken zitten en keek geboeid naar Blackie. ‘De kapelaan van grootmoeder is ook dood,’ zei ze. ‘Heeft Blackie koorts gehad?’
Er is eerder te veel met hem gesold, dacht Kivrin. De kinderen hadden hem aan elkaar doorgegeven, geknepen en onder de voet gelopen. Doodgeknuffeld. En dat uitgerekend met Kerstmis, hoewel Agnes niet erg van streek leek te zijn.
‘Gaan we hem begraven?’ vroeg het meisje, voorzichtig aan een van Blackies oren voelend.
Nee, dacht Kivrin. In de middeleeuwen werden huisdieren nog niet in een schoenendoos onder de grond gestopt. Dode dieren werden ergens tussen de struiken of in een beek gegooid. ‘We zullen hem in het bos begraven,’ zei ze, hoewel ze besefte dat de grond bevroren was. ‘Onder een boom.’
Agnes maakte nu pas een ongelukkige indruk. ‘Vader Roche moet hem op het kerkhof begraven,’ zei ze.
Vader Roche had bijna alles voor het kind over, maar Kivrin kon zich niet voorstellen dat hij zou instemmen met een christelijke begrafenis voor een dier. Pas in de negentiende eeuw begonnen mensen huisdieren als schepsels met een ziel te beschouwen, maar ook toen werd er nog geen prijs gesteld op een christelijke begrafenis van hun hond of kat.
‘Ik zal zelf het gebed voor de doden zeggen,’ zei Kivrin.
‘Vader Roche moet hem op het kerkhof begraven,’ zei Agnes met een betrekkend gezicht. ‘En daarna moet hij de klok luiden.’
‘We kunnen hem pas na Kerstmis begraven,’ zei Kivrin haastig. ‘Daarna zal ik Vader Roche vragen wat we moeten doen.’