Выбрать главу

Ze vroeg zich af wat ze intussen met Blackie moest beginnen. Ze kon hem niet bij de slaapplaats van de meisjes laten liggen. ‘Kom, dan brengen we hem naar beneden.’ Ze hield haar gezicht in de plooi toen ze het hondje weer oppakte en de ladder afdaalde.

In de schuur was nergens een kist of zak te zien waarin ze Blackie kon stoppen. Tenslotte legde ze hem in een hoek achter een zeis en liet Agnes handenvol stro over hem heen gooien.

‘Als Vader Roche de klok niet voor hem luidt,’ zei Agnes snikkend, ‘dan komt hij niet in de hemel.’

Het kostte Kivrin een halfuur om het kind tot bedaren te brengen. Ze wiegde Agnes in haar armen en veegde de tranen van haar wangen om haar te troosten.

Buiten klonk lawaai. Misschien had het feest zich naar de voorhof verplaatst of was er een jachtpartij georganiseerd. Kivrin hoorde paarden hinniken.

‘We gaan kijken wat er buiten aan de hand is,’ zei ze. ‘Misschien is je vader er.’

Agnes ging rechtop zitten en veegde haar neus af. ‘Dan kan ik hem over Blackie vertellen,’ zei ze en klom van Kivrins schoot af.

Ze gingen naar buiten. De voorhof was vol met ruiters. ‘Wat gaan ze doen?’ vroeg Agnes.

‘Ik weet het niet,’ zei Kivrin, maar ze wist het maar al te goed. Cob bracht het witte paard van de gezant uit de stal en de monniken laadden de zakken en kisten weer op die ze eerder die ochtend hadden gebracht. Vrouwe Eliwys stond gespannen bij de deur toe te kijken.

‘Gaan ze weg?’ vroeg Agnes.

‘Nee,’ zei Kivrin. Nee, ze mogen niet weggaan. Ik weet niet waar het rendez-vous is.

De cisterciënzer kwam naar buiten, met een mantel over zijn witte habijt. Cob ging de stal weer in en kwam even later terug met een zadel en met de merrie waarop Kivrin had gereden toen ze in het bos hulst waren gaan zoeken.

‘Ze gaan wel weg,’ zei Agnes.

‘Ik weet het,’ zei Kivrin. ‘Ze gaan weg.’

23

Kivrin greep Agnes bij de hand en nam haar snel mee terug in de richting van de schuur. Ze moest zich verbergen tot iedereen weg was. ‘Waar gaan we heen?’ vroeg Agnes.

Ze schoten langs twee van heer Bloets bedienden die een kist naar de paarden droegen. ‘Naar de hooizolder.’

Agnes bleef abrupt staan. ‘Ik wil niet slapen!’ jammerde ze. ‘Ik ben niet moe!’

‘Vrouwe Katherine!’ riep iemand op de voorhof.

Kivrin nam Agnes in haar armen en holde naar de schuur. ‘Ik wil niet!’ schreeuwde Agnes. ‘Ik ben niet moe!’

Rosemund kwam naar hen toe. ‘Vrouwe Katherine! Hoorde je me niet? Moeder vraagt naar je. De gezant van de bisschop gaat weg.’ Ze pakte Kivrin bij een arm en hield haar staande.

Eliwys stond bij de deur naar hen te kijken, met naast haar de gezant in zijn rode mantel. Kivrin kon Imeyne nergens ontdekken. De oude dame zou wel bezig zijn Kivrins spullen in te pakken.

‘De gezant moet met spoed naar de priorij van Bernecestre,’ zei Rosemund, die Kivrin meenam naar de grote zaal, ‘en heer Bloet gaat met hem mee.’ Ze glimlachte opgewekt naar Kivrin. ‘Hij zal de geestelijken begeleiden tot Courcy, waar ze kunnen overnachten.’

Bernecestre, het moderne Bicester. Dat was wel dezelfde kant op als Godstow, maar in elk geval minder ver weg. ‘Wat moet hij daar doen?’

‘Ik weet het niet,’ zei Rosemund ongeïnteresseerd. Kivrin kon het haar niet kwalijk nemen. Heer Bloet ging weg en dat was het enige belangrijke voor het meisje. Rosemund liep opgewekt verder door het gewoel van de knechten die de bagage op de paarden aan het laden waren.

De gezant van de bisschop zei iets tegen een van de bedienden en Eliwys keek fronsend naar hem. Kivrin zou ongemerkt achter de open staldeuren kunnen verdwijnen, maar Rosemund trok haar nog steeds mee aan haar mouw.

‘Rosemund, ik moet terug naar de schuur. Ik heb mijn mantel daar…’

‘Moeder!’ riep Agnes. Ze holde naar haar moeder en kwam bijna in botsing met een van de paarden. Het dier hinnikte en schudde zijn hoofd op en neer. Een knecht pakte haastig de teugel.

‘Je moet niet hollen tussen de paarden,’ zei Eliwys. Ze ving Agnes op en drukte haar tegen zich aan.

‘Mijn hondje is dood,’ zei Agnes.

‘Daarom hoef je nog niet zo te rennen,’ zei Eliwys, alsof ze haar dochter helemaal niet had gehoord. Ze draaide zich om naar de gezant van de bisschop.

‘Wij zijn uw gemaal zeer erkentelijk dat hij ons zijn rijdieren wil afstaan, zodat onze paarden kunnen rusten voor de reis naar Bernecestre,’ zei hij. Ook hij klonk verstrooid. ‘Ik zal ze uit Courcy laten terugbrengen.’

‘Wilt u mijn hondje zien?’ vroeg Agnes. Ze trok aan het gewaad van haar moeder.

‘Stil,’ zei Eliwys.

‘Mijn klerk gaat vanmiddag niet met ons mee. Ik vrees dat hij gisteravond wat te uitbundig feest heeft gevierd en de gevolgen van te veel wijn ondervindt. Ik hoop dat u zo goed wilt zijn, vrouwe, hem hier te laten blijven tot hij voldoende is hersteld om ons achterna te reizen.’

‘Uiteraard kan hij blijven,’ zei Eliwys. ‘Kunnen we nog iets voor hem doen? De moeder van mijn gemaal…’

‘Nee, laat hem maar. Alleen slaap kan hem van de pijn in zijn hoofd bevrijden. Vanavond is hij weer hersteld.’ De gezant zag eruit of hij zelf wat te uitbundig feest had gevierd. Hij was zenuwachtig en afwezig, alsof hij barstende koppijn had, en zijn aristocratische gezicht zag grauw in het heldere ochtendlicht. Hij rilde en trok zijn mantel dichter om zich heen.

De gezant keurde Kivrin geen blik waardig en ze vroeg zich af of hij in zijn haast zijn belofte aan vrouwe Imeyne was vergeten. Ze keek gespannen naar de poort. Hopelijk was Imeyne nog bezig Vader Roche de les te lezen en kwam ze niet ineens opdagen om de gezant eraan te herinneren.

‘Het spijt me dat mijn gemaal er niet is,’ zei Eliwys, ‘en dat we u geen beter onthaal konden geven. Mijn gemaal…’

Hij viel haar in de rede. ‘Ik moet mijn mensen bij elkaar gaan halen.’ Hij stak zijn hand uit. Eliwys maakte een knieval en kuste zijn ring. Voor ze kon opstaan, was hij al op weg naar de stal. Eliwys keek hem zorgelijk na.

‘Wilt u hem zien?’ vroeg Agnes.

‘Nu niet,’ zei Eliwys. ‘Rosemund, je moet afscheid nemen van heer Bloet en vrouwe Yvolde.’

‘Hij is koud,’ zei Agnes.

Eliwys richtte zich tot Kivrin. ‘Vrouwe Katherine, weet u waar vrouwe Imeyne is?’

‘Ze is in de kerk gebleven,’ zei Rosemund.

‘Misschien is ze nog in gebed,’ zei Eliwys. Ze ging op haar tenen staan om over de drukke voorhof uit te kijken. ‘Waar is Maisry nu weer?’

Die heeft zich ergens verstopt, dacht Kivrin. Dat zou ik ook moeten doen.

‘Zal ik haar voor u gaan zoeken?’ vroeg Rosemund.

‘Nee. Je moet afscheid nemen van heer Bloet. Vrouwe Katherine, ga naar de kerk en zeg tegen vrouwe Imeyne dat de gezant van de bisschop vertrekt. Rosemund, wat sta je hier nog? Ga afscheid nemen van je aanstaande.’

‘Ik zal vrouwe Imeyne halen,’ zei Kivrin. Als Imeyne nog in de kerk was, nam ze zich voor achter een van de hutten weg te duiken en in het bos te verdwijnen.

Ze draaide zich om. Twee knechten van heer Bloet worstelden met een zware kist, die vlak voor haar voeten op de grond viel en kantelde. Ze deed een stap terug en liep eromheen, waarbij ze ervoor zorgde niet te dicht bij de paarden te komen.

‘Wacht!’ zei Rosemund, die achter haar aan kwam en haar bij een mouw pakte. ‘Je moet met mij mee naar heer Bloet.’

‘Rosemund…’ Kivrin wierp een blik op het pad naast de schuur, waar vrouwe Imeyne elk moment met haar getijdenboek te voorschijn kon komen.

‘Alsjeblieft,’ zei Rosemund. Ze zag er bleek en angstig uit.

‘Rosemund…’

‘Het duurt maar heel even, daarna kun je grootmoeder halen.’ Het meisje trok Kivrin mee naar de stal. ‘Kom, nu is zijn schoonzuster nog bij hem.’