Выбрать главу

Heer Bloet stond bij zijn paard, dat gezadeld werd, en was in gesprek met de vrouw met de verbazingwekkende haarkap. Die was nog even omvangrijk, maar de vrouw had hem blijkbaar in alle haast opgezet, want hij helde vervaarlijk naar een kant.

‘Wat heeft de gezant voor dringende zaken?’ vroeg ze.

Heer Bloet schudde fronsend zijn hoofd, maar hij glimlachte toen hij Rosemund zag. Het meisje klemde zich stevig vast aan Kivrins arm.

De schoonzuster knikte even naar Rosemund. ‘Is er nieuws uit Bath gekomen?’ vroeg ze aan heer Bloet.

‘Er is gisteren of vandaag geen boodschapper gekomen,’ zei hij.

‘Als er geen nieuws is, waarom heeft hij dan niet meteen gezegd dat hij zo snel weer moest vertrekken?’

‘Dat weet ik niet,’ zei hij ongeduldig. ‘Maar wacht, ik moet afscheid nemen van mijn aanstaande.’ Hij pakte de hand van Rosemund en Kivrin zag hoeveel moeite het ’t meisje kostte om niet weg te rennen.

Rosemund zoende hem vluchtig op zijn wang en deed haastig een paar passen naar achteren. ‘Dank u voor de broche,’ zei ze.

Bloet liet zijn blik zakken van haar bleke gezicht naar haar mantel. Hij raakte de broche aan. ‘Je bent mijn plaatsvervanger,’ zei hij.

Agnes kwam naar binnen gerend. ‘Heer Bloet! Heer Bloet!’ riep ze. Hij ving haar op en tilde haar hoog in de lucht.

‘Ik kom gedag zeggen,’ zei ze. ‘Mijn hondje is dood.’

‘Dan krijg je van mij een nieuwe,’ zei hij, ‘als je me eerst een zoen geeft.’

Agnes sloeg haar armen om hem heen en drukte op elk van zijn rode wangen een klapzoen.

‘Je bent tenminste niet zo schuchter als je zuster,’ zei hij met een blik op Rosemund. Hij zette Agnes neer. ‘Of wil jij je gemaal ook twee zoenen geven?’

Rosemund zei niets.

Hij ging naar haar toe en nam de broche in zijn vingers. ‘Io suiicien lui dami amo,’ zei hij en legde zijn handen op haar schouders. ‘Je moet aan me denken als je mijn broche draagt.’ Hij boog zijn hoofd en zoende haar hals.

Rosemund verroerde zich niet, maar al het bloed trok weg uit haar gezicht.

Hij liet haar los. ‘Ik kom je in de paastijd halen,’ zei hij. Het klonk als een dreigement.

‘Brengt u een zwart hondje voor me mee?’ vroeg Agnes.

Vrouwe Yvolde kwam naar hen toe. ‘Waar hebben uw knechten mijn reismantel gelaten?’

‘Ik zal hem halen,’ zei Rosemund. Ze pakte Kivrin bij een mouw en trok haar mee naar buiten.

Zodra ze op veilige afstand van heer Bloet waren zei Kivrin: ‘Ik moet vrouwe Imeyne gaan zoeken. Kijk, ze zijn bijna klaar om te vertrekken.’

Dat was waar. Uit de chaos van bedienden, kisten en paarden was een ordelijke stoet gevormd en Cob had de poort geopend. De paarden van de drie koningen deden nu dienst als lastdieren en waren met de teugels aan elkaar gebonden. De schoonzuster van heer Bloet en haar dochters zaten al te paard en de gezant van de bisschop was bezig het zadel van Eliwys’ merrie aan te gespen.

Nog een paar minuten, smeekte Kivrin in stilte, laat Imeyne nog een paar minuten in de kerk blijven, dan zijn ze weg.

‘Ik moest van je moeder vrouwe Imeyne gaan zoeken,’ zei ze.

‘Je moet eerst met me mee naar binnen,’ zei Rosemund. De hand waarmee ze Kivrins mouw vasthield, beefde nog steeds.

‘Ik heb geen tijd, Rosemund!’

‘Alsjeblieft. Straks komt hij me weer zoeken.’

Kivrin moest er niet aan denken dat Bloet het meisje weer in haar hals zou zoenen. ‘Dan ga ik wel met je mee, maar we moeten opschieten.’

Ze holden over de voorhof naar de grote zaal, waar ze bijna in botsing kwamen met de gezette monnik. Hij was de trap afgekomen en zag eruit of hij een zware kater had. Zonder hen een blik waardig te keuren ging hij naar buiten.

Er was verder niemand in de zaal. De tafel stond nog vol met kommen en borden en het rokerige vuur dreigde uit te gaan.

‘De mantel van vrouwe Yvolde ligt in de bergkamer,’ zei Rosemund. ‘Wacht maar even.’ Razendsnel klom ze over de ladder naar boven, alsof heer Bloet haar op de hielen zat.

Kivrin ging terug naar de deur en keek naar buiten. Ze kon het pad naar het open veld niet zien. De gezant liet een hand op de voorste zadelboog van de merrie rusten terwijl hij luisterde naar de monnik, die hem iets in het oor fluisterde. Kivrin keek naar de dichte deur van de bovenkamer. Was de klerk echt ziek van de drank of had hij ruzie met de andere geestelijken? De monnik stond driftig te gebaren.

‘Hier is hij,’ zei Rosemund, die met de mantel in haar hand de ladder afdaalde. ‘Wil jij hem naar vrouwe Yvolde brengen? Het duurt maar even.’

Dit was de kans waarop Kivrin had gewacht. ‘Dat is goed.’ Ze nam de mantel van Rosemund aan en ging op weg naar de deur. Ze was van plan de mantel aan de eerste de beste knecht te geven en zelf op weg te gaan naar de hutten. Laat haar nog een paar minuten in de kerk blijven, bad ze, tot ik in het dorp ben. Ze ging naar buiten en stond oog in oog met vrouwe Imeyne.

‘Waarom bent u nog niet klaar voor de reis?’ vroeg Imeyne. Ze keek naar de mantel in Kivrins armen. ‘Waar is uw eigen mantel?’

Kivrin wierp een blik naar de gezant. Hij liet zich door Cob een opstapje geven om in het zadel te klimmen. De monnik zat al te paard.

‘Die ligt in de kerk,’ zei Kivrin. ‘Ik zal hem halen.’

‘Daar is geen tijd meer voor. Ze gaan weg.’

Kivrin keek radeloos om zich heen, maar er was niemand die haar kon helpen. Eliwys stond bij de stal met Gawyn te praten, Agnes gebaarde druk naar een van heer Bloets nichtjes, en Rosemund hield zich vermoedelijk schuil in de grote zaal.

‘Ik moest deze mantel naar vrouwe Yvolde brengen,’ zei Kivrin.

‘Geef maar aan Maisry,’ zei Imeyne. ‘Maisry!’

Kivrin hoopte vurig dat het dienstmeisje zich ergens had verstopt.

‘Maisry!’ riep Imeyne luid. Het meisje kwam met haar handen tegen haar oren uit het bierhuis. Imeyne griste de mantel uit Kivrins handen en gaf hem aan Maisry. ‘Loop niet zo te grienen en ga die naar vrouwe Yvolde brengen!’ snauwde ze.

Imeyne pakte Kivrin bij haar pols. ‘Kom mee,’ zei ze, terwijl ze op weg ging naar de gezant. ‘Eerwaarde, u had beloofd vrouwe Katherine met u mee te nemen naar Godstow.’

‘We gaan niet naar Godstow.’ Hij hees zich met moeite in het zadel. ‘Onze reis gaat naar Bernecestre.’

Gawyn was op zijn eigen paard Gringolet gestegen en ging op weg naar de poort. Hij gaat met ze mee, dacht Kivrin. Misschien kan ik hem onderweg overhalen mij naar de open plek te brengen. Al vertelt hij me maar waar het is, dan kan ik vluchten en er zelf naartoe gaan.

‘Kan een van de broeders van Bernecestre haar dan niet naar Godstow brengen? Ik wil dat ze teruggaat naar het klooster.’

‘Daar hebben we geen tijd voor,’ zei de gezant. Hij pakte de teugels.

Imeyne greep hem bij zijn scharlaken mantel. ‘Waarom vertrekt u zo onverwachts? Hebben wij u iets misdaan?’

Hij keek naar de monnik, die met de teugels van Kivrins merrie in zijn handen stond. ‘Nee.’ Hij maakte vlug een zegenend gebaar. ‘Dominus vobiscum, et cum spiritu tuo,’ mompelde hij, met een veelzeggende blik op haar hand, die nog steeds op zijn mouw lag.

‘En mijn nieuwe kapelaan?’ vroeg Imeyne.

‘Ik zal mijn klerk bij u laten,’ zei hij.

Dat liegt hij, dacht Kivrin. Ze keek scherp naar de gezant, die opnieuw een steelse blik met de cisterciënzer wisselde, en ze vroeg zich af of ze misschien alleen maar van dat lastige oude wijf af wilden zijn.

‘Uw klerk?’ herhaalde Imeyne instemmend. Ze liet de mantel los.

De gezant gaf zijn paard de sporen en draafde weg naar de poort. Agnes kon nog maar net opzij springen en wierp zich geschrokken in Kivrins armen. De monnik klom in het zadel en reed achter de gezant aan.

‘God zij met u, eerwaarde!’ riep Imeyne hem na, maar hij was al door de poort.