Выбрать главу

‘Is dat alles?’ vroeg Trevize.

‘Voor mijn doel wel, ja.’

‘Het is evident wat je doel is: een stel vragen en antwoorden die je aan geheel Terminus en de hele Foundation Federatie kunt presenteren om aan te tonen dat ik de legende van het Seldon Plan geheel en al accepteer. Daardoor zal elke ontkenning die ik later zou verkondigen bij voorbaat maniakaal of ronduit krankzinnig lijken.’

‘Of zelfs verraad in de ogen van een opgewonden massa die het Plan onmisbaar acht in verband met de veiligheid van de Foundation. Het zal wellicht niet noodzakelijk zijn dit alles publiek te maken, Raadsheer Trevize, als we tot bepaalde afspraken kunnen komen, maar als het nodig mocht zijn zullen we er zeker voor zorgen dat de Federatie het verneemt.’

‘Bent u werkelijk zo zot, meneer,’ zei Trevize met een frons, ‘dat u volstrekt geen belangstelling hebt voor wat ik probeer duidelijk te maken?’

‘Als menselijk individu ben ik zeer geïnteresseerd, en als er een passend ogenblik komt zal ik met belangstelling en een zekere hoeveelheid scepsis naar u luisteren. Maar als Hoofd Veiligheid beschik ik op dit ogenblik precies over datgene wat ik nodig heb.’

‘Ik hoop dat u beseft dat dit alles u en de burgemeester geen goed zal doen.’

‘Merkwaardigerwijs deel ik die mening helemaal niet. U zult nu vertrekken. Onder geleide, uiteraard.’

‘Waar word ik heengebracht?’

Kodell glimlachte slechts. ‘Tot ziens, Raadsheer. Uw medewerking was niet volmaakt, maar het zou niet realistisch zijn geweest zulks te verwachten.’

Hij stak zijn hand uit. Trevize stond op en negeerde de hand. Hij streek zijn ceintuur glad en zei: ‘U doet niet meer dan het onvermijdelijke uitstellen. Anderen zullen denken wat ik nu denk, of zullen er later zo over gaan denken. Als u mij gevangen zet of doodt zal dat alleen nieuwsgierigheid opwekken en uiteindelijk die manier van denken versnellen. Aan het slot zullen de waarheid en ik overwinnen.’

Kodell trok zijn hand terug en schudde langzaam zijn hoofd. ‘Werkelijk, Trevize,’ zei hij, ‘u bent een gek.’

4

Pas om middernacht kwamen twee bewakers Trevize weghalen van wat, naar hij moest toegeven, een luxueuze kamer was in het hoofdkwartier van Veiligheid. Luxueus, maar afgesloten. Hoe dan ook: een gevangeniscel.

Trevize had meer dan vier uur gelegenheid om zichzelf verwijten te maken. Een groot deel van de tijd ijsbeerde hij rusteloos op en neer.

Waarom had hij Compor vertrouwd?

Waarom niet? Hij was het zo schijnbaar met hem eens geweest. Nee, dat niet precies. Het had zo makkelijk geleken hem over te halen het met hem eens te zijn. Nee, dat nou ook weer niet direct. Hij had zo stom geleken, zo gemakkelijk te domineren, zo duidelijk niet beschikkend over een eigen geest en eigen gedachten, dat Trevize met genoegen de kans had aangegrepen om hem te gebruiken als niet tegensputterend klankbord. Compor had Trevize geholpen bij het verdiepen en aanscherpen van diens meningen. Hij was nuttig geweest en Trevize had hem om geen andere reden vertrouwd dan dat het hem goed was uitgekomen dat te doen.

Maar het was nutteloos zich nu nog af te vragen of hij Compor had moeten doorzien. Hij had zich moeten houden aan de algemene stelregeclass="underline" vertrouw niemand.

Maar kun je door het leven gaan zonder iemand te vertrouwen ?

Kennelijk moest dat kunnen. En wie zou hebben gedacht dat Branno zo vermetel zou zijn een Raadsheer zo maar uit de Raad te plukken en — dat niemand van de andere Raadsheren een vinger zou uitsteken om hun collega te beschermen ? Ook al waren zij het in volle overtuiging oneens met Trevize, ook al zouden zij hun laatste druppel bloed hebben willen verwedden dat Branno gelijk had, dan nog zouden zij zich principieel hebben moeten verzetten tegen deze grove verkrachting van hun rechten. Bronzen Branno werd zij wel genoemd. En de kracht van haar optreden deed inderdaad denken aan die van metaal…

Tenzij zijzelf al in de greep was van…

Nee! Zo denken leidt tot paranoia!

En toch… Zijn geest draaide in cirkels en zijn gedachten waren nog niet verder gekomen dan zinloze herhalingen, toen de bewakers kwamen.

‘U zult met ons mee moeten, Raadsheer,’ zei de oudste van de twee met onbewogen ernst. Uit zijn distinctieven bleek dat hij luitenant was. Hij had een klein litteken op zijn rechterwang en zag er vermoeid uit, alsof hij deze baan te lang had vervuld en al die tijd te weinig te doen had gehad — zoals verwacht mocht worden van een soldaat wiens volk al meer dan een eeuw in vrede had geleefd.

Trevize verroerde zich niet. ‘Uw naam, luitenant?’

‘Ik ben luitenant Evander Sopellor, Raadsheer.’

‘U beseft dat u de wet overtreedt, luitenant Sopellor? U kunt een Raadsheer niet arresteren.’

‘We hebben directe orders gekregen, meneer,’ zei de luitenant.

‘Dat doet niet terzake. U kunt niet de opdracht krijgen een Raadsheer te arresteren. U zult begrijpen dat u zich straks tegenover een krijgsraad zult moeten verantwoorden.’

‘U wordt niet gearresteerd, Raadsheer,’ zei de luitenant.

‘Dan hoef ik dus niet met u mee te gaan, nietwaar?’ ‘We hebben opdracht u naar uw huis te begeleiden.’

‘Ik weet de weg.’

‘En om u onderweg te beschermen.’

‘Tegen wat? Of tegen wie?’

‘Tegen eventueel verzamelde menigten.’

‘Om middernacht?’

‘Daarom hebben wij tot dit tijdstip gewacht, meneer. En nu, meneer, moeten wij u terwille van uw eigenbelang vragen met ons mee te gaan. Ik merk daarbij op, niet als dreigement maar als een stukje informatie, dat ons is toegestaan daarbij zo nodig geweld te gebruiken.’

Trevize zag maar al te goed dat zij bewapend waren met zenuwzwepen. Hij ging staan en hoopte dat hij het met waardigheid deed. ‘Naar mijn huis dan maar. Of zal ik straks moeten vaststellen dat jullie me naar een gevangenis brengen?’

‘Ons is niet opgedragen tegen u te liegen, meneer,’ zei de luitenant met een klank van eigenwaarde en trots in zijn stem. Trevize realiseerde zich nu dat hij in het gezelschap was van een professional die pas na directe orders zou willen liegen — en die zich zelfs dan nog zou blootgeven door zijn gezichtsuitdrukking en de toon van zijn stem.

‘Neem mij niet kwalijk, luitenant,’ zei Trevize. ‘Ik wilde niet suggereren dat ik twijfel aan uw woord.’

Buiten stond een auto voor hen gereed. De straat was leeg en er was geen spoor te zien van mensen, laat staan menigten — maar de luitenant had de waarheid geen geweld aangedaan. Hij had niet gezegd dat er buiten een menigte zou zijn of dat er zich een zou vormen. Hij had het gehad over ‘eventueel verzamelde menigten’. Alleen ‘eventueel’.

De luitenant had er zorgvuldig op gelet dat Trevize tussen hem en de auto bleef. Trevize had zich niet kunnen omdraaien om te proberen weg te rennen. De luitenant ging onmiddellijk na hem naar binnen en nam naast hem plaats op de achterbank.

De auto reed weg.

‘Als ik thuis ben,’ zei Trevize, ‘neem ik aan dat ik vrijelijk mijn bezigheden kan uitoefenen en dat ik bijvoorbeeld mijn huis kan verlaten als ik dat wens.’

‘Wij hebben geen opdracht u te belemmeren, Raadsheer, op geen enkele wijze, afgezien van het feit dat we bevel hebben u te beschermen.’

‘Afgezien? Wat betekent dat in dit geval?’

‘Ik heb opdracht u bij uw aankomst thuis mee te delen dat u het huis niet mag verlaten. De straten zijn voor u niet veilig en ik ben verantwoordelijk voor uw veiligheid.’

‘U bedoelt dat ik huisarrest heb.’

‘Ik ben geen jurist, Raadsheer. Ik weet niet wat dat betekent.’

Hij keek recht voor zich uit, maar zijn elleboog raakte Trevizes zijde. Deze zou geen beweging kunnen maken, niet de geringste, zonder dat de luitenant het merkte.