Выбрать главу

‘Ik zal u dragen,’ antwoordde Gwaihir, ‘waarheen u wilt, ook al was u van steen gemaakt.’

‘Kom dan, en laat je broeder met ons meegaan en nog een ander van je soortgenoten die het snelste is. Want snelheid groter dan van alle winden is geboden om de vleugels van de Nazgûl te overtreffen.’

‘De Noordenwind waait, maar wij zullen sneller zijn,’ zei Gwaihir. En hij tilde Gandalf op en spoedde zich naar het zuiden, en Landroval en de jonge, snelle Meneldor vergezelden hem. En zij vlogen over Udûn en Gorgoroth en zagen het hele land in verwoesting en verwarring onder zich, en voor zich de Doemberg, in lichterlaaie, die zijn vuur uitbraakte.

‘Ik ben blij dat jij hier bij mij bent,’ zei Frodo. ‘Hier aan het eind van alle dingen, Sam.’

‘Ja, ik ben bij u, meester,’ zei Sam, terwijl hij Frodo’s gewonde hand zachtjes op zijn borst legde. ‘En u bent bij mij. En de reis is over. Maar nadat ik die hele weg gegaan ben, wil ik nog niet opgeven. Dat is niets voor mij, op de een of andere manier, als u me vat.’

‘Misschien niet, Sam,’ zei Frodo. ‘Maar zo gaat het nu eenmaal in de wereld. De hoop versaagt. Er komt een einde. We hoeven nu nog maar korte tijd te wachten. We zijn verloren in de verwoesting en ondergang, en er is geen ontsnapping mogelijk.’

‘Welnu, meester, we zouden in ieder geval van deze gevaarlijke plaats verder kunnen gaan, weg van deze Doemspleet, als-ie zo heet. Dat zou kunnen, niet? Kom, meneer Frodo, laten we in ieder geval dit pad af gaan!’

‘Goed, Sam. Als jij wilt gaan, ga ik met je mee,’ zei Frodo en zij stonden op en liepen langzaam de slingerende weg af; en toen zij naar de bevende voet van de Berg gingen, spuwde de Sammath Naur een hoop rook en stoom uit, en de zijde van de kegel werd opengereten en een enorme massa vurig braaksel rolde als een trage, donderende waterval langs de oostelijke berghelling. Frodo en Sam konden niet verder. Hun laatste geestelijke en lichamelijke krachten namen snel af. Zij hadden een lage asheuvel bereikt, die aan de voet van de Berg lag opgetast, maar vandaar was geen ontsnapping meer mogelijk. Het was nu een eiland, dat niet lang zou standhouden te midden van de marteling van de Orodruin. Overal eromheen gaapte de aarde, en uit de diepe spleten en kuilen sprongen rook en vuur omhoog. Achter hen was de Berg aan het stuiptrekken. Grote scheuren openden zich in zijn flanken. Trage rivieren van vuur kwamen langs de lange hellingen op hen af. Weldra zouden zij worden opgeslokt. Er viel een regen van hete as. Zij stonden nu stil, en Sam, die zijn meesters hand nog steeds vasthield, streelde haar. Hij zuchtte. ‘Wat een verhaal hebben we meegemaakt, nietwaar, meneer Frodo?’ zei hij. ‘Ik wou dat ik het kon horen vertellen. Denkt u dat ze zullen zeggen: Nu komt het verhaal van Frodo met de Negen Vingers en de Ring van Doem? En dan zal iedereen zwijgen, zoals wij deden, toen ze ons in Rivendel het verhaal vertelden van de Eenhandige Beren en het Grote Juweel. Ik wou dat ik het kon horen! En ik vraag me af hoe het verder zal gaan na onze rol.’ Maar terwijl hij dit zei, om de angst tot het laatste toe uit te bannen, zwierven zijn ogen naar het noorden, naar het noorden tegen de wind in, naar waar de verre hemel helder was, toen de koude rukwind, die tot een storm aanwakkerde, de duisternis en de wolkenflarden verdreef.

En zo gebeurde het dat Gwaihir hen met zijn scherpe verziende ogen zag toen hij op de wilde wind kwam aanwieken, en het grote gevaar van de hemelen trotserend, cirkelde hij in de lucht: twee kleine donkere figuren, eenzaam, hand in hand op een kleine heuvel, terwijl de wereld onder hen schudde en de laatste adem uitblies en rivieren van vuur naderbij kwamen. En op hetzelfde ogenblik dat hij hen zag en in duikvlucht naar beneden kwam, zag hij hen vallen, uitgeput of verstikt door de dampen en de hitte, of ten slotte door wanhoop overmand, hun ogen aan de dood onttrekkend. Naast elkaar lagen zij, en Gwaihir zeilde omlaag, en naar beneden en ook de snelle Landroval en Meneldor kwamen naar omlaag; en in een droom, niet wetend welk lot hun was overkomen, werden de zwervers opgepakt en ver weg gevoerd uit de duisternis en het vuur.

Toen Sam wakker werd, merkte hij dat hij op een of ander zacht bed lag, maar boven hem zwaaiden zachtjes berkentakken en door hun jonge bladeren schitterde zonlicht, groen en goud. De hele lucht was vervuld van een zoete, gemengde geur. Hij herinnerde zich die geur: de geur van Ithilien. ‘Goeie genade,’ mijmerde hij. ‘Hoe lang heb ik geslapen?’ Want de geur had hem teruggevoerd naar de dag waarop hij zijn kleine vuur op de zonnige berm had aangestoken; en vooralsnog was alles wat daartussenin lag uit zijn herinnering verdwenen. Hij rekte zich uit en haalde diep adem. ‘Lieve help, wat heb ik een nare droom gehad!’ mompelde hij. ‘Ik ben blij dat ik wakker ben!’ Hij ging rechtop zitten en toen zag hij dat Frodo vredig naast hem lag te slapen, met een hand achter zijn hoofd, terwijl de andere op de deken rustte. Het was de rechterhand, maar de derde vinger ontbrak. Zijn hele geheugen kwam terug, en Sam riep hardop: ‘Het was geen droom! Maar waar zijn we dan?’ En een stem zei zacht achter hem: ‘In het land Ithilien, onder de hoede van de Koning; en hij wacht op jullie.’ Hierop trad Gandalf voor hem, gekleed in het wit, en zijn baard glansde nu als pure sneeuw in het geschitter van het bebladerde zonlicht. ‘Welnu, meester Gewissies, hoe voel je je?’ vroeg hij. Maar Sam bleef achterover liggen en staarde met open mond, en een ogenblik, ten prooi aan verbijstering en vreugde, kon hij niet antwoorden. Eindelijk bracht hij met moeite uit: ‘Gandalf! Ik dacht dat je dood was! Maar ik heb ook gedacht dat ik zelf dood was. Wordt alle droefenis ongedaan gemaakt? Wat is er met de wereld gebeurd?’

‘Een grote Schaduw is heengegaan,’ zei Gandalf, en toen lachte hij, en het geluid klonk als muziek of als water in een verdord land; en terwijl hij luisterde, kwam de gedachte bij Sam op dat hij een dergelijk lachen, het pure geluid van vrolijkheid, dagen- en dagenlang niet had gehoord. Het klonk in zijn oren als de echo van alle vreugden die hij ooit had gekend. Maar zelf barstte hij in tranen uit. Toen, zoals een zoete regen op een voorjaarswind wordt weggevoerd en de zon helderder gaat schijnen, kwam er een eind aan zijn tranen, en zijn gelach welde op, en lachend sprong hij van zijn bed. ‘Hoe ik me voel?’ riep hij uit. ‘Nu, ik weet niet hoe ik het moet zeggen. Ik voel me, ik voel me’ – hij wuifde met zijn armen in de lucht

– ‘ik voel me als voorjaar na winter, en zon op de bladeren; en als trompetten en harpen en alle liederen die ik ooit heb gehoord.’ Hij zweeg en hij wendde zich tot zijn meester. ‘Maar hoe maakt meneer Frodo het?’ vroeg hij. ‘Is het niet zonde van zijn arme hand? Maar ik hoop dat hij verder niets mankeert. Hij heeft een wrede tijd doorgemaakt.’

‘Ja, verder ben ik in orde,’ zei Frodo, terwijl hij overeind ging zitten en op zijn beurt lachte. ‘Ik ben weer in slaap gevallen terwijl ik op jou wachtte, Sam, jij slaapkop. Ik was vanmorgen vroeg wakker, en het moet nu bijna middag zijn.’

‘Middag?’ zei Sam, terwijl hij een berekening probeerde te maken. ‘Middag van welke dag?’

‘De veertiende van het Nieuwe Jaar,’ zei Gandalf, ‘of als je wilt, de achtste dag van april in de Gouwtelling.[5] Maar in Gondor zal het nieuwe jaar nu altijd op de vijfentwintigste maart beginnen toen Sauron viel, en toen jullie uit het vuur naar de Koning werden gebracht. Hij heeft jullie verzorgd en nu wacht hij op jullie. Jullie zullen met hem eten en drinken. Wanneer jullie klaar zijn zal ik je bij hem brengen.’

вернуться

5

De maand maart van de Gouwkalender telt dertig dagen.