Выбрать главу

‘Ik vrees dat het zo is gegaan,’ zei Merijn, ‘hoewel ik niet meer weet wat ik heb gezegd. Ik had een enge droom, die ik me niet meer kan herinneren. Ik was helemaal de kluts kwijt. Ik weet niet wat er met me gebeurde.’

‘Ik wel,’ zei Stapper. ‘De Zwarte Adem. De Ruiters moeten hun paarden buiten hebben laten staan en in het geheim door de Zuiderpoort zijn teruggekomen. Ze zullen nu al het nieuws weten, want ze hebben Willem Varentje bezocht, en waarschijnlijk was die zuiderling ook een spion. Het is heel goed mogelijk dat er vannacht iets gebeurt, voor we uit Breeg vertrekken.’

‘Wat kan er gebeuren?’ vroeg Merijn. ‘Zullen ze de herberg aanvallen?’

‘Nee, dat denk ik niet,’ zei Stapper. ‘Ze zijn nog niet allemaal hier. En in ieder geval is dat niet hun methode. In het donker en de eenzaamheid zijn ze het sterkste; ze zullen niet openlijk een huis aanvallen waar licht brandt en veel mensen zijn – tenzij ze zich radeloos voelen, maar niet terwijl de lange mijlen van Eriador nog voor ons liggen. Maar hun kracht ligt in terreur en ze hebben al enkele lieden uit Breeg in hun macht. Ze zullen deze ongelukkigen tot euvele daden aanzetten: Varentje, en enkelen van de vreemdelingen, en misschien ook de poortwachter. Ze hebben maandag met Harry aan de Westerpoort staan praten. Ik heb ze gezien. Hij zag spierwit en beefde toen ze weggingen.’

‘We schijnen overal door vijanden te zijn omringd,’ zei Frodo. ‘Wat moeten we doen?’

‘Hier blijven en niet naar jullie kamers gaan! Ze hebben nu zeker al ontdekt welke jullie kamers zijn. De hobbitkamers hebben ramen op het noorden die dicht bij de grond zijn. Wij zullen allen bij elkaar blijven en dit raam en de deur barricaderen. Maar eerst zullen Nob en ik jullie bagage gaan halen.’

Terwijl Stapper weg was, deed Frodo Merijn snel verslag van alles wat er sinds het avondeten was gebeurd. Merijn was nog bezig Gandalfs brief te lezen en erover na te denken toen Stapper en Nob terugkwamen.

‘Nu, meesters,’ zei Nob. ‘Ik heb de dekens door elkaar gegooid en een peluw midden in elk bed gelegd. En ik heb een aardige imitatie van uw hoofd gemaakt met een bruine mat, meneer Ba – Onderheuvel, meneer,’ voegde hij er met een grijns aan toe.

Pepijn lachte. ‘Heel levensecht,’ zei hij. ‘Maar wat gebeurt er wanneer ze de vermomming doorhebben?’

‘Dat zullen we wel zien,’ zei Stapper. ‘Laat ons hopen dat we het fort tot morgenochtend kunnen houden.’

‘Goedenacht,’ zei Nob, en ging weg om zijn post bij de deur te betrekken.

Hun zakken en uitrusting stapelden ze op de vloer van de zitkamer. Ze schoven een lage stoel tegen de deur en sloten het raam. Toen hij naar buiten keek, zag Frodo dat de nacht nog helder was. De Sikkel[3] stond helder boven de hellingen van Breegheuvel. Hij vergrendelde de luiken en trok de gordijnen dicht. Stapper zorgde voor het vuur en blies alle kaarsen uit.

De hobbits rolden zich in hun dekens, met de voeten naar de haard, maar Stapper maakte het zich gemakkelijk in de stoel tegen de deur. Ze bleven nog een tijdje praten, want Merijn had nog een paar vragen.

‘Sprong over de Maan,’ giechelde Merijn toen hij zich in zijn deken rolde. ‘Bijzonder bespottelijk van je, Frodo! Maar ik wou dat ik erbij was geweest om het te zien. De notabelen van Breeg zullen er over honderd jaar nog over praten.’

‘Dat is te hopen,’ zei Stapper. Toen zweeg iedereen, en een voor een sukkelden de hobbits in slaap.

XI. Een mes in het donker

Terwijl ze zich gereedmaakten om in de herberg van Breeg te gaan slapen, lag Bokland in een diepe duisternis gehuld; de mist slierde door de dalen en langs de oever van de rivier. Het huis in Krikhol was stil. Dikkie Burger opende voorzichtig de deur en gluurde naar buiten. De hele dag al had hij een groeiend gevoel van angst gehad, en hij was niet in staat om te rusten of naar bed te gaan: er hing een broeierige dreiging in de windstille nachtlucht. Terwijl hij de duisternis in tuurde, bewoog er een zwarte schaduw onder de bomen; het hek scheen vanzelf open te gaan en zich even geruisloos weer te sluiten. Ontzetting greep hem aan. Hij deinsde terug en stond een ogenblik in de hal te beven. Toen sloot en grendelde hij de deur.

De nacht werd nog donkerder. Er kwam het zachte geluid van paarden die steels door de laan werden geleid. Voor het hek bleven ze staan en drie zwarte gestalten liepen het pad op, als nachtschaduwen die over de grond kropen. Eén ging naar de deur, één naar de hoek van het huis aan iedere kant; en bleven daar staan, roerloos als de schaduwen van stenen, terwijl de nacht langzaam voortschreed. Het huis en de roerloze bomen schenen ademloos te wachten.

Er was een zachte ritseling in de bladeren, en in de verte kraaide een haan. Het koude uur voor zonsopgang liep ten einde. De gestalte bij de deur bewoog. In het donker, zonder maanlicht of sterren glinsterde een getrokken zwaard, alsof een kil licht uit de schede was gehaald. Er klonk een klap, zacht maar zwaar, en de deur trilde.

‘Doe open, in naam van Mordor!’ zei een stem, ijl en dreigend.

Na een tweede slag bezweek de deur en viel om, terwijl de spaanders in het rond vlogen en het slot brak. De zwarte figuren gingen snel naar binnen.

Op dat ogenblik schalde er door de bomen in de buurt een hoorn.

Hij verscheurde de nacht als vuur op de top van een heuvel.

ONTWAAK! VREES! VUUR! VIJANDEN! ONTWAAK!

Dikkie Burger had niet stilgezeten. Zodra hij de zwarte gestalten door de tuin had zien sluipen, wist hij dat hij moest rennen voor zijn leven. En dat deed hij ook, de achterdeur uit, de tuin door, de velden over. Toen hij het dichtstbijzijnde huis bereikte, meer dan een mijl verder, zakte hij op de stoep in elkaar. ‘Nee, nee, nee!’ jammerde hij. ‘Nee, ik niet! Ik heb hem niet!’ Het duurde geruime tijd voordat iemand begreep waar hij het over had. Eindelijk kwam men op het idee dat er vijanden in Bokland waren, een vreemdsoortige invasie uit het Oude Woud. En toen verloren ze verder geen tijd meer.

VREES! VUUR! VIJANDEN!

De Brandebokken bliezen het hoornsignaal van Bokland, dat honderd jaar geleden voor het laatst had weerklonken toen de witte wolven in de Wrede Winter kwamen en de Brandewijn bevroren was.

ONTWAAK! ONTWAAK!

In de verte hoorde men andere hoornsignalen. Het alarm verspreidde zich. De zwarte figuren vluchtten het huis uit. Een van hen liet een hobbitmantel op de stoep vallen terwijl hij wegrende. In de laan barstte het geluid van hoeven los en na in galop te zijn overgegaan, kletterden ze door de duisternis. Overal rond Krikhol hoorde men nu hoorngeschal, roepende stemmen en rennende voeten. Maar de Zwarte Ruiters reden als een stormwind naar de Noorderpoort. De kleine lieden konden naar de duivel lopen! Sauron zou later met hen afrekenen. Ondertussen hadden ze iets anders te doen; ze wisten nu dat het huis leeg was en dat de Ring was verdwenen. Ze reden langs de wachters bij de poort en verdwenen uit de Gouw.

Vroeg in de nacht werd Frodo plotseling wakker uit een diepe slaap, alsof een geluid of aanwezigheid hem had gestoord. Hij zag dat Stapper waakzaam in zijn stoel zat; zijn ogen glansden in het schijnsel van het vuur, dat was opgestookt en helder vlamde, maar hij gaf geen enkel teken en bewoog zich niet.

Frodo viel weldra weer in slaap, maar zijn dromen werden opnieuw verstoord door het geluid van wind en galopperende hoeven. De wind scheen zich om het huis heen te krullen en het te schudden; en ver weg hoorde hij een hoorn wild schallen. Hij opende zijn ogen en hoorde op het erf van de herberg een haan wellustig kraaien. Stapper had de gordijnen opengeschoven en wierp met een bons de luiken open. Het eerste grijze daglicht scheen de kamer in en er kwam een koude luchtstroom door het open raam.

вернуться

3

De hobbitnaam voor de Ploeg of Grote Beer