‘Welnu, dat is een waarschuwing voor ons allemaal,’ zei Merijn lachend. ‘Het is maar goed dat je een stok hebt gebruikt en niet je hand, Stapper.’
‘Hoe ben je daaraan gekomen, Sam?’ vroeg Pepijn. ‘Ik heb die tekst nog nooit eerder gehoord.’
Sam mompelde iets onverstaanbaars. ‘Hij heeft het zelf gemaakt natuurlijk,’ zei Frodo. ‘Ik kom een heleboel over Sam Gewissies te weten op deze reis. Eerst was hij een samenzweerder en nu is hij een nar. Hij zal nog als tovenaar of als krijger eindigen.’
‘Ik hoop van niet,’ zei Sam. ‘Ik wil geen van beide zijn.’
’s Middags vervolgden zij hun weg door de bossen. Ze gingen waarschijnlijk langs hetzelfde pad dat Gandalf, Bilbo en de dwergen vele jaren geleden hadden gevolgd. Na een paar mijl kwamen ze op de top van een hoge berm boven de Weg. Op dit punt had de Weg het Luidwater in het smalle dal ver achter zich gelaten en liep nu dicht langs de voet van de heuvels, door bossen en met heide begroeide hellingen, naar de Voorde en de Bergen golvend en slingerend. Niet ver de berm in wees Stapper op een steen in het gras. Daarop stonden, met ruwe krassen en nu erg verweerd, nog dwergenrunen en geheime tekens te lezen.
‘Kijk,’ zei Merijn. ‘Dat moet de steen zijn die de plaats aangaf waar het goud van de trollen verborgen was. Hoeveel is er nog van Bilbo’s aandeel over, vraag ik me af, Frodo?’
Frodo keek naar de steen en wenste dat Bilbo geen schat mee terug had gebracht die gevaarlijker was, of een waarvan men zich minder gemakkelijk kon ontdoen. ‘Helemaal niets,’ zei hij. ‘Bilbo heeft het allemaal weggegeven. Hij zei mij dat hij vond dat het hem eigenlijk niet toekwam, omdat het van rovers afkomstig was.’
De Weg lag vredig onder de lange schaduwen van de vroege avond. Er was geen teken van andere reizigers te zien. Aangezien hun geen andere mogelijkheid openstond, klommen zij de berm af en, na linksaf te zijn geslagen, spoedden ze zich zo vlug mogelijk voorwaarts. Weldra sneed een van de heuvelruggen het licht van de snel naar het westen zinkende zon af. Een koude wind kwam hun uit de bergen tegemoet.
Ze begonnen uit te kijken naar een plek aan de kant van de Weg waar ze hun kamp voor de nacht konden opslaan, toen ze een geluid hoorden dat plotseling de angst in hun harten deed weerkeren: het geluid van hoeven achter hen. Ze keken achterom, maar konden niet ver zien door de vele bochten en golven in de Weg. Zo vlug ze konden, verlieten ze de gebaande weg en strompelden de diepe hei en bosbessenstruiken op de hellingen erboven in, tot ze bij een klein gedeelte kwamen dat dicht met hazelaars was begroeid. Toen ze uit de bosjes gluurden, konden ze de Weg zien, grijs en vaag in het afnemende licht, ongeveer negen meter beneden hen. Het geluid van de hoeven kwam nader. Ze gingen snel, met een zacht klikker-de-klik, klikker-de-klak. Toen, heel zachtjes alsof het op de wind werd aangedragen, schenen ze een zacht getinkel te horen, als van kleine rinkelende belletjes.
‘Dat klinkt niet als het paard van een Zwarte Ruiter,’ zei Frodo, terwijl hij intens luisterde. De andere hobbits stemden hoopvol met hem in, maar ze bleven achterdochtig. Zij hadden nu al zo lang met de vrees voor achtervolging rondgelopen, dat elk geluid van achteren onheilspellend en vijandig klonk. Maar Stapper leunde nu voorover, naar de grond gebogen, met een hand aan zijn oor en een verheugde uitdrukking op zijn gezicht.
Het begon donker te worden en de bladeren aan de struiken ruisten zacht. Helderder en dichterbij tinkelden de belletjes nu en klikkerde-klik klonken de vlug stappende hoeven. Plotseling zagen ze uit de schaduwen beneden een wit paard opdoemen, glanzend in de schaduwen, dat hard liep. In de schemering schitterden en flonkerden zijn bit en breidel alsof ze bezaaid waren met juwelen als levende sterren. De mantel van de ruiter golfde achter hem aan, en zijn kap was achterover geworpen; zijn gouden haren wapperden schitterend in de wind van zijn snelheid. Het scheen Frodo toe dat er een wit licht door de gestalte en kleren van de ruiter straalde, als door een dunne sluier.
Stapper sprong uit zijn schuilplaats tevoorschijn en snelde naar de Weg, terwijl hij met een schreeuw door de hei sprong; maar nog voor hij zich had bewogen of geroepen, had de ruiter zijn paard ingetoomd en was blijven staan, naar het struikgewas kijkend waar zij stonden. Toen hij Stapper zag, steeg hij af en snelde hem tegemoet, terwijl hij riep: Ai na vedui Dúnadan! Mae govannen! Zijn taal en zijn helder schallende stem lieten er geen twijfel in hun hart over bestaan: de ruiter behoorde tot het elfenvolk. In de wijde wereld waren geen anderen wier stemmen zo schoon waren om te horen. Maar in zijn uitroep scheen een toon van haast of angst, en ze zagen hem nu vlug en dringend met Stapper spreken.
Weldra wenkte Stapper hen en de hobbits kwamen uit het struikgewas en spoedden zich naar de Weg. ‘Dit is Glorfindel, die in het huis van Elrond woont,’ zei Stapper.
‘Heil! Ik ben blij u eindelijk te ontmoeten,’ zei de elfenheer tegen Frodo. ‘Ik ben van Rivendel gezonden om u te zoeken. Wij vreesden dat u op de Weg in gevaar verkeerde.’
‘Dus Gandalf is in Rivendel aangekomen?’ riep Frodo verheugd.
‘Nee, nog niet toen ik vertrok, maar dat was negen dagen geleden,’ antwoordde Glorfindel. ‘Elrond had nieuws ontvangen dat hem verontrustte. Sommigen van mijn geslacht, die in uw land achter de Baranduin[4] reizen, vernamen dat er iets was misgegaan en hebben zo vlug mogelijk boodschappen gezonden. Ze zeiden dat de Negen op pad waren en dat u verdwaald was en een zware last droeg zonder leiding, omdat Gandalf niet was teruggekeerd. Zelfs in Rivendel zijn er weinigen die het openlijk tegen de Negen kunnen opnemen; maar die er waren, heeft Elrond op weg gestuurd, noord, west en zuid. Men dacht dat u misschien een verre omweg zou maken om aan de achtervolging te ontkomen, en in de wildernis zou verdwalen.