Выбрать главу

Ursula K. Le Guin

Koning van Aardzee

De lijsterbes

In de Hof van de Fontein scheen de maartse zon door de jonge bladeren van es en olm, en sprong het water door licht en schaduw op en kwam klaterend neer.

De onoverdekte hof werd omsloten door vier hoge, stenen muren, en achter die muren lagen de vertrekken en hoven, de gangen en gaanderijen, de torens en als laatste de zware buitenwallen van het Hoge Huis van Roke dat, behalve van steen ook van onaantastbare magie gebouwd, bestand was tegen iedere aanval, van krijg, van aardbeving of zelfs van de zee. Want Roke is het Eiland der Wijzen waar onderricht wordt gegeven in de kunst der magie. En het Hoge Huis is de school en het hart der toverkunst; en het hart van het Huis is die kleine hof diep binnen de muren met de spelende fontein en de bomen onder de open hemel in regen, zonlicht of schijnsel der sterren. Het dichtst bij de fontein stond een fraaie, forse lijsterbes die met haar wortels de marmeren plavuizen omhoog had gewrikt en had doen splijten. Aders van heldergroen mos hadden de spleten gevuld en stroomden naar alle zijden weg van het grasveldje rond het waterbekken. Op een lage verhevenheid van marmer en mos zat een jongen en volgde met zijn blik de boog van de middelste straal van de fontein. Hij was bijna volwassen, maar toch duidelijk een knaap: tenger en weelderig gekleed. Zijn gezicht leek uit brons gegoten, zo fijn besneden, zo verheven en kalm.

Misschien een meter of vier achter hem stond onder de bomen aan de andere zijde van het grasveld een man; het leek althans dat hij er stond, want in die tintelende wisseling van licht en schaduw viel dat moeilijk met zekerheid te zeggen. In ieder geval was hij er: een in het wit geklede man die roerloos toekeek hoe de knaap zat te kijken naar het water van de fontein. Er was geen ander geluid of beweging dan het spel der bladeren, het spel en gedurig gezang van het water. De man liep naar voren. Een windzucht ritselde door de takken van de lijsterbes en wiegde de pas ontloken bladeren. Licht en verrast sprong de jongen overeind. Hij keek de man aan en boog voor hem neer. ‘Heer Archimagus,’ zei hij. De man bleef voor hem staan, een gedrongen, stramme, krachtig gebouwde gestalte in een kapmantel van witte wol. Het gezicht boven de plooien van de neergeslagen kap was roodachtig bruin van kleur, de neus was gebogen als de snavel van een havik en over de ene wang liepen striemen van oude littekens. Zijn blik was helder en scherp, maar zijn stem klonk vriendelijk. ‘Hier, in de Hof van de Fontein, is het goed toeven,’ zei hij, en om de knaap niet in verlegenheid te brengen: ‘Je hebt een lange reis gemaakt zonder te rusten. Ga maar weer zitten.’ Hij knielde op de witte rand van het waterbekken, strekte de hand uit naar de krans van glinsterende druppels die uit de bovenste schaal van de fontein omlaag vielen, en liet het water door zijn vingers glijden. De jongen ging weer op de omhoogstekende plavuis zitten en een tijd lang spraken zij geen van beiden.

‘Jij bent de zoon van de Vorst van Enlad en de Enladen,’ zei de Archimagus, ‘de erfgenaam van het Vorstendom Morred. Er is in heel Aardzee geen ouder erfdeel en geen schoner. Ik heb de boomgaarden van Enlad gezien in de lente, en de gouden daken van Berila… Hoe heet je?’

‘Men noemt mij Arren.’

‘Dat moet een woord zijn uit het dialect van je land. Wat betekent het in de gewone stamtaal van Aardzee?’

‘Zwaard,’ antwoordde de jongen.

De Archimagus knikte. Weer viel er een stilte; toen zei de jongen, niet vrijpostig, maar ook zonder enige schroom: ‘Ik dacht dat de Archimagus alle talen kende.’ De man schudde het hoofd en keek naar de fontein. ‘En alle namen…’

‘Alle namen? Enkel Segoy die het Eerste Woord sprak en de eilanden deed oprijzen uit de diepten der zee, kende alle namen. Maar weet wel’ — en zijn scherpe, heldere ogen keken Arren doordringend aan — ‘als het noodzakelijk was je ware naam te kennen, dan zou ik hem kennen. Maar het is niet noodzakelijk. Ik zal je Arren noemen; en ik ben Sperwer. Vertel me, hoe is je reis verlopen?’

‘Zij duurde veel te lang.’

‘Ongunstige wind?’

‘De wind was gunstig, maar het bericht dat ik u breng, is ongunstig, Heer Sperwer.’

‘Vertel het dan,’ zei de Archimagus, met de ernst van iemand die toegeeft aan het ongeduld van een kind; en terwijl Arren sprak, bleef hij kijken naar het kristallen gordijn van waterdruppels dat uit de bovenste schaal neerhing op de onderste, niet alsof hij niet luisterde, maar alsof hij naar meer luisterde dan alleen naar de woorden van de jongen. ‘U weet, heer, dat de vorst, mijn vader, vertrouwd is met de toverkunst, want hij is uit het geslacht van Morred en heeft in zijn jeugd een jaar lang hier op Roke vertoefd. Hij bezit dus macht en kennis, maar gebruikt ze zelden, en wijdt zich geheel aan het bestuur en beheer van zijn gebied, het toezien op steden en handel. De schepen van ons eiland varen uit naar het westen, zelfs tot in het Westruim, en drijven er handel in saffieren, tin en ossehuiden.

Nu keerde er in het begin van deze winter een kapitein terug naar onze goede stad Berila met een verhaal dat ook tot het oor van mijn vader doordrong, en deze zag daarin aanleiding hem bij zich te ontbieden om het verhaal uit zijn eigen mond te horen.’

De knaap sprak snel en vol zelfvertrouwen; hij was opgevoed in een hoffelijke, hoofse omgeving en vertoonde geen spoor van de zijn leeftijd eigen bedeesdheid.

‘De kapitein vertelde dat er op het eiland Narveduin dat langs de zeeweg een vijfhonderd mijl ten westen van ons ligt, geen toverkunst meer bestond. Spreuken hadden er, zei hij, geen macht meer en de woorden der toverkunst waren in vergetelheid geraakt. Mijn vader vroeg hem of dan ook alle tovenaars en heksen dat eiland verlaten hadden, en kreeg ten antwoord: Nee, er woonden nog een paar mensen die vroeger tovenaar geweest waren, maar nu geen spreuken meer weefden, zelfs niet voor zulke kleinigheden als het lappen van ketels of het terugvinden van een zoekgeraakte naald. En mijn vader vroeg of de mensen op Narveduin dat dan niet vervelend vonden, en de kapitein gaf opnieuw ten antwoord: Nee, zij schenen zich er niet druk om te maken. En ook al heerste er, zei hij, ziekte onder hen en ook al was hun oogst deze herfst zwaar tegengevallen, zij bleven de indruk maken zich er niets van aan te trekken. Hij zei — en ik was er zelf bij toen hij met de vorst sprak — hij zei: “Zij gedroegen zich als lijders aan een ongeneeslijke ziekte, als iemand die te horen gekregen heeft dat hij binnen het jaar zal sterven, en zichzelf wijsmaakt dat het niet waar is en dat hij het eeuwig leven bezit. Ze gaan er hun eigen gang,” zei hij, “zonder acht te slaan op de wereld rondom hen.” En toen er andere kooplieden terugkeerden, meldden ook zij dat Narveduin een arm land geworden was waar de kennis der wijsheid verloren was gegaan. Maar het speelde zich allemaal af in het Ruim waarover allerlei vreemde verhalen in omloop zijn, en behalve mijn vader schonk niemand er veel aandacht aan. Toen brak het nieuwe jaar aan en was het tijd voor het Feest der Lammeren dat bij ons op Enlad gevierd wordt wanneer de vrouwen der schaapherders met de eerstelingen der kudden naar de stad komen; en mijn vader verzocht de Wijze Root de spreuken van vruchtbaarheid over de kudden uit te spreken. Root kwam echter in opperste verslagenheid terug naar het paleis, legde zijn staf op de grond en zei: “Heer, ik kan de spreuken niet uitspreken.” Mijn vader vroeg hem naar de reden waarop de ander niets kon uitbrengen dan: “Ik ben de woorden en het weven vergeten.”

Mijn vader is toen naar het marktplein gegaan en heeft de spreuken zelf uitgesproken zodat de riten vervuld werden. Maar toen hij die avond naar het paleis terugkeerde, maakte hij een zorgelijke en vermoeide indruk, en tegen mij zei hij: “Ik heb de woorden uitgesproken, maar ik weet niet of zij hun werking zullen hebben.” En inderdaad gaat het dit voorjaar niet goed met de kudden: de ooien sterven tijdens het werpen, veel lammeren worden dood geboren en soms zijn het... gedrochten.’ De hoge, helle stem van de knaap stierf weg; zijn gezicht vertrok toen hij het woord uitsprak, en hij moest slikken. ‘Ik heb er een paar gezien,’ zei hij. Er viel een stilte. ’