Выбрать главу

Zo nu en dan belt hij me en kan ik in de hoorn, die een behulpzame hand tegen mijn oor houdt, zijn warme, licht trillende stem horen. Het zal niet gemakkelijk zijn om tegen een zoon te praten van wie je maar al te goed weet dat hij geen antwoord zal geven. Hij heeft me ook de foto van het midgetgolfen gestuurd. Eerst begreep ik niet waarom. Het zou een raadsel zijn gebleven als niet iemand op het idee was gekomen om achter op de foto te kijken. In mijn privébioscoop begonnen toen vergeten beelden langs te trekken, van een weekend in het voorjaar waarin mijn ouders en ik een frisse neus waren gaan halen in een winderig, niet erg vrolijk oord. Met zijn krachtige, regelmatige handschrift had papa alleen maar geschreven: Berck-sur-Mer, april 1963.

NOG EEN TOEVAL

Als je aan de lezers van Alexandre Dumas zou vragen als welk van zijn personages ze in een volgend leven zouden willen terugkomen, zouden de stemmen naar D'Artagnan of naar Edmond Dantès gaan en zou niemand op het idee komen om Noirtier de Villefort te noemen, een nogal sinistere figuur in De graaf van Monte Cristo. Deze zwaar gehandicapte man, door Dumas beschreven als een half lijk met een levendige blik, een man die al voor driekwart klaar is voor het graf, doet je niet dromen maar huiveren. Als onmachtige, sprakeloze bewaarder van de meest verschrikkelijke geheimen brengt hij zijn leven krachteloos in een rolstoel door en communiceert hij enkel door met zijn ogen te knipperen: één keer knipperen betekent ja, twee keer nee. In wezen is grootvader Noirtier, zoals zijn kleindochter hem liefdevol noemt, de eerste, en tot op heden de enige, met het locked-in-syndroom die in de literatuur is verschenen.

Zodra mijn bewustzijn weer bovenkwam uit de dikke mist waarin mijn beroerte het had ondergedompeld, heb ik veel aan grootvader Noirtier gedacht. Ik had De graaf van Monte Cristo net herlezen en nu zat ik plotseling midden in het boek, in de meest onaangename positie. Dat ik het had gelezen was niet toevallig. Ik had het plan opgevat - heiligschennis, waarschijnlijk - om een moderne versie van de roman te gaan schrijven: wraak bleef natuurlijk de stuwende kracht van het verhaal, maar de feiten zouden zich afspelen in onze tijd en Monte Cristo was een vrouw.

Ik heb dus geen tijd gehad om die misdadige majesteitsschennis te plegen. Voor straf was ik liever veranderd in baron Danglars, Frantz d'Épinay of abbé Faria, of had ik, alles welbeschouwd, liever tienduizend keer moeten schrijven: met meesterwerken mag je niet spotten. De goden van de literatuur en de neurologie hebben anders beschikt.

Op sommige avonden heb ik de indruk dat grootvader Noirtier de ronde komt doen in onze gangen, met zijn lange witte haren en zijn honderd jaar oude rolstoel die wel een drupje olie kan gebruiken. Om de beslissingen van het lot te keren heb ik nu een grote heldenroman in mijn hoofd waarin de kroongetuige hardloper is in plaats van verlamde. Je weet maar nooit. Misschien werkt het.

DE DROOM

Gewoonlijk kan ik me mijn dromen niet herinneren. Als het licht wordt verlies ik de draad van het verhaal en vervagen de beelden onverbiddelijk. Waarom zijn die dromen van december dan in mijn geheugen gegrift blijven staan, met de precisie van een laserstraal? Misschien is dat altijd zo bij coma's. Omdat je niet in de werkelijkheid terugkomt hebben je dromen geen kans te vervluchtigen, maar klonteren ze samen om een lange schemerwereld te vormen, met wendingen als in een vervolgverhaal. Vanavond komt er een aflevering bij me boven.

Het sneeuwt in mijn droom, met dikke vlokken. Een laag van dertig centimeter bedekt het autokerkhof waar ik met mijn beste vriend rillend overheen loop. Sinds drie dagen proberen Bernard en ik Frankrijk weer te bereiken, dat is lamgelegd door een algehele staking. In een Italiaans wintersportoord, waar we gestrand waren, had Bernard een boemeltreintje gevonden dat naar Nice ging, maar bij de grens is onze reis onderbroken door een versperring van stakers en hebben we in het noodweer moeten uitstappen, op onze stadse schoenen en in te dunne kleren. Het is een troosteloze omgeving. Er loopt een viaduct boven het autokerkhof, en het lijkt wel alsof de auto's die daar op elkaar gestapeld liggen van de vijftig meter hogere snelweg zijn gevallen. We hebben een afspraak met een invloedrijke Italiaanse zakenman, die zijn hoofdkwartier in een pijler van dat kunstwerk heeft gevestigd, ver van indiscrete blikken. We moeten aankloppen op een deur van geel ijzer, met een bord met LEVENSGEVAAR erop en schema's voor hulp aan mensen die geëlektrocuteerd zijn. De deur gaat open. De entree doet denken aan de opslag van een textielhandelaar in Le Sentier: jasjes aan een kledingrek, stapels broeken, dozen vol overhemden. Tot aan het plafond staan ze. De bewaker in camouflagekleding, die ons met een machinegeweer in de hand ontvangt, herken ik aan zijn woeste haardos. Het is Radovan Karadzic, de Servische leider. 'Mijn vriend heeft moeite met ademhalen,' zegt Bernard tegen hem. Op een hoek van de tafel doet Karadzic een tracheotomie bij me, en daarna dalen we via een luxueuze glazen trap af naar het souterrain. De met vaalrood leer bespannen muren, de diepe banken en het gedempte licht geven het kantoor daar de sfeer van een nachtclub. Bernard praat met de eigenaar, een kloon van Gianni Agnelli, de zwierige baas van FIAT, terwijl een gastvrouw met Libanees accent mij aan een kleine bar neerzet. Glazen en flessen zijn vervangen door plastic buizen die uit het plafond komen vallen, zoals zuurstofmaskers in vliegtuigen in nood. Een barman gebaart naar me dat ik er een in mijn mond moet nemen. Dat doe ik. Er begint een amberkleurige vloeistof met gembersmaak uit te stromen en ik word van top tot teen door een gevoel van warmte overweldigd. Na een poosje wil ik stoppen met drinken en even van mijn barkruk af gaan. Maar ik blijf met lange teugen doordrinken, niet in staat om ook maar iets te doen. Ik werp radeloze blikken op de barman om zijn aandacht te trekken. Hij reageert met een raadselachtige glimlach. Om me heen raken gezichten en stemmen vervormd. Bernard zegt iets tegen me, maar het geluid dat vertraagd uit zijn mond komt is onbegrijpelijk. In plaats daarvan hoor ik de Bolero van Ravel. Ze hebben me volledig gedrogeerd.

Een eeuwigheid later merk ik dat er een gevecht wordt voorbereid. De gastvrouw met het Libanese accent neemt me op haar rug en hijst me de trap op. 'We moeten weg, de politie komt eraan.' Buiten is het donker geworden en sneeuwt het niet meer. Een ijskoude wind beneemt me de adem. Op het viaduct hebben ze een schijnwerper neergezet, waarvan de lichtbundel zoekend tussen de verlaten wrakken doorschijnt.

'Geef u over, u bent omsingeld!' wordt er door een megafoon geschreeuwd. We weten te ontsnappen, en voor mij is dat het begin van een lange zwerftocht. In mijn droom wil ik graag vluchten, maar zodra de gelegenheid zich aandient verhindert een onuitsprekelijke apathie me ook maar één stap te verzetten. Ik ben een standbeeld, een mummie, van glas geworden. Al word ik maar door één deur van de vrijheid gescheiden, het ontbreekt me aan kracht die te openen. Toch is dat niet mijn enige angst. Als gegijzelde van een mysterieuze sekte ben ik bang dat mijn vrienden in dezelfde val zullen lopen. Ik probeer ze op alle mogelijke manieren te waarschuwen, maar mijn droom komt volledig overeen met de werkelijkheid. Ik ben niet in staat een woord uit te brengen.

DE VOICE-OVER

Ik ben weleens lekkerder wakker geworden. Toen ik die ochtend, eind januari, weer bij bewustzijn kwam, stond er een man over me heen gebogen die met naald en draad mijn rechterooglid aan het dichtnaaien was, zoals je een paar sokken stopt. Ik werd door een redeloze angst bevangen. Stel nou dat die ogenman in zijn enthousiasme ook mijn linkeroog dichtnaaide, mijn enige band met de buitenwereld, het enige luikje van mijn gevangenis, het kijkglas in mijn duikerpak? Gelukkig werd ik niet in duisternis gehuld. Hij ruimde zijn instrumentjes zorgvuldig op in gewatteerde blikken doosjes en liet zich alleen maar ontvallen, op de toon van een officier van justitie die tegenover een recidivist een exemplaire straf eist: 'Zes maanden.' Met mijn goeie oog zond ik veelvuldig vragende signalen uit, maar ook al bracht de beste man zijn dagen door met het doorgronden van andermans pupil, blikken lezen kon hij niet. Hij was het prototype van dokter Desinteresse, uit de hoogte, geen tegenspraak duldend en heel laatdunkend, die patiënten om acht uur op zijn spreekuur ontbood, zelf om negen uur kwam aankakken en om vijf over negen weer vertrok, na aan elk van hen vijfenveertig seconden van zijn kostbare tijd te hebben besteed. Uiterlijk leek hij op geheim agent Maxwell Smart, met een dik rond hoofd op een kort, stuntelig lichaam. Waar hij bij de doorsnee-patiënt al weinig spraakzaam was, werd hij ronduit ontwijkend bij mijn soort geestverschijningen en maakte hij er geen woorden aan vuil om ons ook maar iets uit te leggen. Uiteindelijk heb ik gehoord waarom hij mijn oog voor een half jaar had dichtgenaaid: mijn ooglid speelde zijn rol van bewegende, beschermende zonwering niet meer en ik liep het risico dat mijn hoornvlies zou ontsteken.